Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. De strijd op het gebied der Soteriologie (leer des heils). (Slrijd in het Westen).

1. Hier ging het verschil over het verband van zonde en genade. Het is de Westersche School geweest, die het alleen werken der Goddelijke genade heeft verdedigd en uitgewerkt. Hier is het Augustinus, die na Tertulfianus optrad tegen de dwaling van Pelagius, die de erfzonde loochende, stelde, dat de algemeenheid der zonde berustte op de macht der verleiding, op het kwade voorbeeld, op de kracht der gewoonte en die daardoor een eigenaardige „genade-leer" propageerde. Op het oecumenisch Concilie te Efeze (431) werd Pelagius veroordeeld. LaLer kwamen de Semi-Pelagianen tot invloed (leer der Roomsche Kerk).

2. Ook is Augustinus in strijd geweest met de Donat i s t e n, die een volstrekte reinheid der zichtbare Kerk eischten en daardoor kwamen tot zeer strenge en scherpe tucht.

In deze tijden zijn de groot e, algemeene conci1 i e's gehouden, waarop dikwerf onder veel tegenstand en in eigen zwakheid, de groote heilswaarheden der H. Schrift zijn bevestigd of nader uiteengezet, 't Waren groote tijden. God gaf ook groote mannen. Zie de Belijdenissen vanNicea en van Athanasius.

Bronnen:

Ds. J. H. Landwehr, Handboek der Kerkgeschiedenis. Ie deel: Oude Kerkgeschiedenis, 2e druk pag. 107—130, 137—138.

Lectuur:

Verschillende andere boeken over de Kerkgeschiedenis.

SCHETS III.

VAN CONSTANTIJN DEN GROOTE TOT PAUS GREGORIUS DEN GROOTE.

I. Karakter van dezen tijd. (323—590).

De Christelijke Kerk gevestigd. Staatsgodsdienst geworden. Het heidendom heeft den slag verloren. Vier & aken van belang in dit tijdvak.

Sluiten