Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. De ontwikkeling van het dogma (behandeld' in leidraad II).

2. De veruitwendiging van het Christelijk leven.

3. De leer der dubbele moraal werkt door, met name in de opkomst van den monnikenstand

4. De opkomst der hiërarchie, die haar hoogtepunt vindt in het Pausdom.

II. De Staatskerk.

1. Door Constantijn den Groote wordt de Christelijke godsdienst eerst beschermd, daarna gelijkgesteld met den heidenschen godsdienst, en eindelijk publiekrechtelijk erkend: het Christendom werd godsdienst van den Staat; de Christel. Kerk de heerschende kerk. De poging door Julianus den Afvallige gedaan om dit ongedaan te maken, mislukte. Constantijn's persoonlijk Christendom soms eigenaardig. Kort voor zijn dood pas gedoopt. (Waarom?)

2. Voordeelen.

a. Het einde der vervolging.

b. Uitwendige voorspoed der kerk.

c. Kerkelijke rechtspraak en bisschoppelijke tusschenkomst voor ellendigen.

d. Recht van asyl.

e. Betere positie der geestelijken.

f. Heiliging van den Zondag.

g. Betere sociale verhoudingen.

3. Nadeelige gevolgen.

a. De verwereldlijking der kerk.

b. Weelde en prachtlievendheid bij vele leden.

c. Inmenging van de poliliek wederzijds.

d. Opkomst en bloei der hiërarchie.

Door alles heen had de Kerk kracht ontvangen om hef Evangelie te brengen aan de Gothen en Vandalen, de Franken, Ieren en Schotten.

III. Het Monnikenwezen.

1. "lusschen de geestelijken en de leeken (waarom geen juiste onderscheiding?) kwam een derde stand, die deimonniken. Oorzaken van ontstaan zijn:

a. valsche meening, dat de ascese (onthouding), vooral van de wereld, verdienstelijk was.

Sluiten