Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE OOGEN GEOPEND EN GESLOTEN

„ Toen werden hun beider oogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladen damen, en maakten zich schorten."

Gen. 3:7.

Het is één der fijnste trekken in dit gansche verhaal, dat op het eigen oogenblik, waarop de zonde haar intrek heeft genomen in het hart van den mensch, het paradijs voor hem verloren is. Straks, aan het einde van dit hoofdstuk, wordt de mensch door God uit het paradijs verdreven. Maar eigenlijk was hij het paradijs al veel eerder kwijt. Na de overgave aan de zonde is de mensch uiterlijk nog in het paradijs. Innerlijk, naar waarheid dus, is de mensch reeds terstond uit het paradijs verjaagd. Daar heeft de mensch dan de grens overschreden, die God hem gesteld had, hij heeft zich gewend naar dien éenen kant, waarheen hij niet mocht, naar dien eenen kant, waar God niet was. Dien kant uit moest immers, naar hem was verteld, de heerlijkheid liggen! En nu is de heerlijkheid dus binnen zijn bereik, nu kan het levensfeest eerst recht beginnen. O ch wat, gij moetzien, wat er begint. Met éen enkelen snij denden trek wordt het ons voor oogen gesteld: „toen werden hun beider oogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren."

Sluiten