Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan onveranderlijk in het goede thuishooren. En dus komen wij in het kwade nooit tot rust, wij voelen ons innerlijk verscheurd, vervreemd van alles, vervreemd van onszelf. Wij zaten midden in den overvloed van het door God geschapen paradijs, maar wij wilden nog meer hebben dan God ons gunde, en het gevolg is, dat wij veel minder krijgen, midden in den overvloed beginnen wij gebrek te lijden.

Dat is derhalve een stuk werkelijkheid, hetwelk tot het bewustzijn van den mensch doordringt: „hun oogen werden geopend en zij werden gewaar dat zij naakt waren." Door de booze macht, diehem verleidde, werd, gelijk wij gezien hebben, de mensch in een waan gebracht en in dien waan heeft hij gehandeld. Doch hier breekt door den waan een stuk werkelijkheid heen: door den waan van heerlijkheid het besef van mislukking. Zal de mensch nu dit stuk werkelijkheid aanvaarden? Dan is daarmee de terugweg uit de zonde, van den waan naar de waarheid, van het kwaad naar God, voor hem gebaand. Maar zoo simpel is de zaak niet, zoo gemakkelijk laat zich de waan niet overwinnen. Die waan, waarin de zonde den mensch heeft gebracht, is als een dichte nevel om hem heen, en het is wat om aan dien nevel te ontkomen. De mensch wil ook liever niet aan den nevel ontkomen. In de geheele rest van ons verhaal zien wij den mensch voortdurend bezig met éen ding: hij doet zonder ophouden al zijn best om in

Sluiten