Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thuishoort, en ach, hoe diep moet Hij daartoe in het leven inkerven! Het is toch ook wel vanzelfsprekend, dat de God der verlossing aldus moet handelen: om ons te „verlossen", moet Hij losmaken de verderfelijke banden, die ons binden, al zijn dat dan ook banden van vriendschap, waarmee wij zelf ons hebben gebonden. Daar gaan de twee gelieven, de mensch en de zonde, arm in arm vrooJijk en wel de toekomst tegen; maar de God, die dien mensch liefheeft, zweert in Genesis 3:15, dat Hij den mensch zoolang teisteren en tempteeren zal, tot hij zijn geliefde er aan geeft.

Is de scheur, de breuk er reeds in ons leven? Leven wij nog genoeglijk en gemoedelijk voort, op den besten voet met die lieve bondgenoote, waarmee we het zoo goed kunnen vinden en die ons allerlei geneugten bezorgt, waarvan we anders verstoken zouden blijven? Is de zonde nog onze stille vennoot, o zulk een handige vennoot, die ons immers reeds menig voordeel heeft opgeleverd en ons ongetwijfeld nog tal van malen verrassen zal? Er is heel wat noodig, zullen wij de zonde gaan beschouwen met Gods oogen en in haar niets zien dan een vijandin. Schrikkelijke ontdekking: wat zich zoo schuifelend en poes-lief bij ons had ingedrongen en wat wij koesterden aan onzen boezem, dat is een slang, die het toelegt op onzen ondergang. Maar zonder deze ontdekking geen verlossing, wat zeg ik: zij is zelve reeds het begin van de verlossing, zij het dan ook een begin, dat in smarten geboren wordt.

Sluiten