Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Hoe blijkt uit art. 15, dat deze belijdenis infra-lapsarisch getint is ?

9. Komen verkiezing en verwerping op dezelfde wijze en orde voor in den eeuwigen Raad Gods ?

10. Voor wie is de verwerping tot schrik ?

11. Hoe ontzenuwt ge de tegenwerping tegen art. 17: „als die kinderen groot geworden waren, zouden meerderen hunner het geloof hebben kunnen verwerpen, zooals vele volwassen gedoopten doen" ?

Bronnen.

Als bij vorige afdeeling.

Van den dood van Christus en de verlossing der menschen door dezen*

HOOFDSTUK TL.

In dit Hoofdstuk belijdt de Kerk haar geloof inzake Christus' dood en de vrucht daarvan.

Gods rechtvaardigheid vordert voldoening (1); zelf konden we niet voldoen; God heeft nu uit oneindige barmhartigheid ons Zijn Zoon gegeven tot een rantsoen voor de zonden (2); die dood van Christus is genoegzaam, zelfs tot verzoening van de zonden der gansche wereld (3); Christus' sterven is hierom genoegzaam, wijl Hij zoowel waarachtig en heilig mensch is, als ook de eeniggeboren Zoon van God (4); de belofte van het Evangelie moet ruim en dringend gebracht aan allen zonder onderscheid, met bevel van bekeering en geloof (5); dat velen hieraan geen gehoor geven, is hun eigen moedwil (6);, dat anderen wèl gelooven, danken zij enkel en alleen aan Gods genade in Christus (7); naar Gods vrijen Raad toch strekt zich die levendmakende en zaligende kracht van Christus' dood alleen tot de uitverkorenen uit (8); trots allen tegenstand van hel, wereld en vleesch is deze Raad Gods totdusver vervuld en zal vervuld worden; er zal altoos een Kerk der geloovigen zijn (9).

Sluiten