Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet kunnen volharden, maar God bewaart hen ten einde toe krachtig (3); dat wil niet zeggen, dat zij niet door de begeerlijkheid des vleesches verleid kunnen worden en die volgen (4); door zulke grove zonden vertoornen zij God en verliezen soms het gevoel der genade, tot zij tot God wederkeeren (5); God neemt Zijn Geest nooit geheel van hen weg en laat hen nimmer vervallen van de genade (6); immers, in hun vallen bewaart God nog in hen het zaad der wedergeboorte en vernieuwt hen steeds door Zijn Woord en Geest (7); dat zij niet geheel van het geloof en de genade uitvallen, is niet aan eigen verdiensten te danken, maar aan Gods barmhartigheid (8).

Eenige hoofdzaken.

In de gouden keten van heilsweldaden, begonnen in de verkiezing van eeuwigheid, ontbreekt ook niet de schalm van de volharding der heiligen, als vrucht i'n diepsten van de verkiezing van eeuwigheid. Zij, die eerst uitverkoren zijn, daarna wedergeboren en geroepen, vervolgens tot geloof en bekeering gebracht, liggen niet meer onder het slavenjuk van satan, zonde en wereld, maar zijn het eigendom van Christus Jezus; van kinderen der duisternis zijn ze kinderen des lichts, van slaven der zonde kinderen Gods geworden, nieuwgeboren kinderen. Zoo kan van hen gezegd worden: „die uit God geboren is, zondigt niet", d.w.z. gaat niet door met de zonde. De persoonlijkheid van den mensch is vernieuwd, veranderd, zoodat hij zeggen kan: „ik doe de zonde nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont", ze zijn als zoodanig „heiligen", van de heerschappij en slavernij der zonde verlost.

Evenwel, al is hij volkomen vernieuwd in de wedergeboorte, hij is nog niet volmaakt in de heiligmaking; het vleesch is er nog met zijn begeerlijkheden; de erfsmet, die inklevende verdorvenheid, blijft tot aan zijn dood. Daardoor is er een strijd in hem van de wet des geestes, des gemoeds, tegen de wet des vleesches; de strijd der heiligmaking (Rom. 7).

Dat onvolkomene in de uitwerking van het nieuwe leven is zonde en blijft voor onze verantwoordelijkheid, zoodat we nooit in valsche lijdelijkheid mogen zeggen:

Sluiten