Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die Hem bij Zijn omwandeling door het Joodsche land overal vergezelden.

Twee discipelen, waarvan Andréas er éen was, (en waarschijnlijk Johannes de tweede) kwamen uit den kring van Johannes' leerlingen. Joh. 1: 35—37. Andréas brengt dan zijn broeder Simon (Petrus) tot Jezus. Daarna komen Filippus en Nathanaël, (zij woonden in Bethsaïda, waar ook Andréas en Petrus woonden).

Yan Nathanaël zegt Jezus: „zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is" (Joh. 1:48) wat beteekent: een zoon van Jacob (Israël) die niet met de Farizeën zich geveinsdelijk beroemde in zijn zoonschap van Abraham, maar die, gelijk Jacob aan de Jabbok, allen valschen weg had leeren loslaten en als een oprecht boeteling tot God gegaan was (onder den vijgeboom!) om het van Hem alleen te verwachten. Een oprecht en vroom man, wandelend voor Gods aangezicht. Matt. 15 : 8 en 9. „Dit volk genaakt Mij met hunnen mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; doch tevergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn."

3. Vr. Wie waren de 12 discipelen van Jezust

Antw. De 12 discipelen van den Heiland waren: Andréas en Simon Petrus; Johannes en Jacobus, de zonen van Zebedéus; Filippus en Nathanaël of Bartholoméus; Thomas of Didymus; Levi of Mattheiis, de tollenaar; Jacobus, de zoon van Alféus; Judas of Lebbéus, bijgenaamd Thaddéus; Simon Kananites en Judas Iskarioth. 't Waren eenvoudige, ongeleerde mannen; meest Gallileesche visschers.

„Het Koninkrijk Gods zou gegrondvest worden niet dooide erkende volksvorsten, maar door mannen door Jezus' hand afgezonderd. Om heel het volk van Israël, in z'n 12 stammen, te roepen tot het Messiaansche koninkrijk waren er juist 12 discipelen. — Jezus koos ze, na een nacht in het gebed te hebben doorgebracht. Allen waren van betrekkelijk jeugdigen leeftijd; van één hunner, Petrus, weten we dat hij gehuwd was. De meesten, zoo niet allen, waren Galileërs, grootendeels visschers van het meer Gennésareth; éen was uit den gehaten tollenaarsstand n.1. Levi of Mattheiis. Twee hunner, Jacobus en Johannes, waren Jezus in den bloede verwant, zoo

2

Sluiten