Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geopenbaard (Joh. 4 : 45). Jezus trekt zich terug van Jeruzalem na de tempelreiniging; Hij' gaat als de Goede Herder naar het land van Juda (Joh. 3 : 22) om de verloren schapen van het huis Israëls in alle steden en dorpen te zoeken. Slechts op de liooge feesten zal Hij in de tempelstad komen om van zichzelf te getuigen.

De dag, waarop de Christus zich aan het volk openbaart, optredende als de Zoon des Vaders (bij de tempelreiniging) is ook de dag, waarop het volk den Christus begint te verwerpen. Negen maanden is Jezus in Judea werkzaam; van Pasclien tot 4 maanden voor den oogst (Joh. 2:13; Joh. 4 : 35 en 45).

Uit de gevangenneming van Joh. den Dooper, die omstreeks dezen tijd plaats greep, op aanstoken van de Farizeesche partij (Mare. 1 : 14 „overgeleverd") kon Jezus afleiden, wat Hem zelf wachtte bij langer verblijf in Judea (Joh. 1 : 19; Joh. 2 : 24) en Zijn ure was nog niet gekomen; Hij wilde God niet verzoeken en ging daarom naar Galiléa (Joh. 4 : 1—3).

3. Vr. Wat leert ons Jezus' gesprek met Nicodemus?

Antw. Door de geschiedenis van Nicodemus, den Farizeër en overste der Joden, die des nachts tot Jezus kwam, leeren wij dat niemand het koninkrijk Gods kan beërven, tenzij hij innerlijk geheel vernieuwd wordt.

In Gen. 3 lezen we hoe de menscli door den Heere met den vloek beladen uit het Paradijs verdreven wordt tot een eeuwig oordeel — in Joh. 3 leeren we hoe de mensch alleen het nieuwe paradijs kan binnengaan. „Jezus antwoordde: voorwaar, voorwaar zeg Ik u: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien." Joh. 3:3.

4. Vr. Heeft de Haland ook in Samaria gearbeid?

Antw. Toen Jezus van Judea naar Galiléa reisde ging Hij door het Samaritaansche land en sprak bij den Jacobsput, dicht bij Sichar of Sichem, met een Samaritaansche vrouw, die Hem als den Christus erkende en beleed.

In Jezus' dagen was het land Kanaan verdeeld in 4 deelen en wel: Galiléa, Samaria, Judea, en het Overjordaansche (ook wel Peréa geheeten).

De Heiland gaat niet. zooals de gewoonte der Joden in die dagen was, door Peréa, het over-Jordaansclie, maar Hij neemt Zijn weg door het Samaritaansche gebied.

Sluiten