Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groote Raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem dooden mochten en vonden niet." Matth. 26 : 59.

„Maar ten laatste kwamen twee yalsche getuigen en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den Tempel God» afbreken en in drie dagen denzelven opbouwen." (Matth. 26:61).

„En de Hoogepriester antwoordende, zeide tot hem; Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij zijt de Christus, de Zone Gods. Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd! Doch Ik zeg ulieden, van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen zittende ter rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels." Matth. 26 : 62—64.

En als Judas de zilveren penningen in den Tempel geworpen had, vertrok hij en henengaande, verworgde zichzelven." Matth. 27:3. Jer. 19; Zach. 12: 12, 13.

„En ziet, een man, met name Jozef, van Arimathéar (een stad der Joden) zijnde een Raadsheer, een goed en rechtvaardig man, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte, deze had niet mede bewilligd in hun raad en handel." (Luc. 23:50, 15).

3. Vr. Waarheen bracht men Jezus vervolgens?

Antw. Jezus werd, nadat door den Joodschen Raad het doodvonnis over Hem was uitgesproken, gebonden naar Pontius Pilatus, den Romeinschen Stadhouder gebracht.

"Toen verscheurde de Hoogepriester zijne kjeederen zeggende: Hij heeft God gelasterd: wat hebben wij nog getuigen van noode r Zie, nu hebt gij zijne godslastering gehoord; wat dunkt ulieden?

En zij antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.

Toen spuwden zij in Zijn aangezicht en sloegen Hem. met vuisten." (Matth. 26 : 65—67).

„En Jezus stond voor den Stadhouder; en de Stadhouder vraagde Hem, zeggende: ziji Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide hem: Gij zegt het!" (Matth. 27:11.

„Pilatus dan zeide tot hen: neemt gij Hem en oordeelt Hem naar üwe wet.

De Joden dan zeiden tot hem: het is ons niet geoorloofd iemand te dooden." (Joh. 18:31).

Pilatus zond Jezus naar Herodes Antipas, den vier-

Sluiten