Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier een verhouding van een meerdere tot een mindere, van een die geeft en een die ontvangt.

Misschien heeft Paulus hiervan zelf iets gevoeld en wil hij een misverstand, dat hieruit zou kunnen voortvloeien bij voorbaat uit den weg ruimen. Want op vers ix laat hij een verklaring volgen. „Ik verlang u te zien", had hij gezegd, „om u eenige geestelijke gave mede te deelen"; „dat is," zoo gaat hij nu verder, „dat is" wij zouden zeggen: „versta mij wel, ik kom om" mede vertroost te worden onder u, door het onderlinge geloof zoo het uwe als het mijne." Ook ik wil mij haasten een schijn van hoogmoed, welke er in de voorafgaande woorden gelegen mocht hebben, uit te dooven. Ik ben, gemeente, een uwer voorgangers; ik hoop wel van God kracht en genade te ontvangen om u eenige geestelijke gave mede te deelen, maar toch voel ik mij in den diepsten grond geen voorganger, maar eenvoudig belijdend lid van de Gemeente van Jezus Christus. Mijn broeder, mijn zuster, die eenzelfde dierbaar geloot met mij deelachtig zijt geworden, ik sta naast u, en ik belijd met u den driemaal heiligen naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, en wat ik begeer is door die onderlinge belijdenis des geloofs met u vertroost te worden.

Troost hebben wij noodig.

Er is zooveel droefheid in onze ziel; droefheid, waarvan wij de reden kennen, droefheid, welke wij onszelven niet verklaren kunnen; er is droefheid in onze ziel over het verloren paradijs, dat wij maar niet vergeten kunnen; droefheid, omdat het Koninkrijk van Jezus Christus nog niet op aarde verschenen is; droefheid boven alles over onze zonden, en dat wij nog geen volkomen geloof bezitten; droefheid over zooveel lijden, zooveel rouw, over zooveel dat voorbij is en niet meer terug zal komen, en daarom hebben wij zooveel behoefte om getroost te worden. Ja, troost hebben wij noodig. De Heilige Schrift, welke zoo dikwijls van troost

Sluiten