Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

\

Joh. IV: 13 en 14. Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten.

Maar zoo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden een fontein van water springende tot in het eeuwige leven.

Ons hart, Gemeente des Heeren, is zoo groot dat het alleen door den grooten God vervuld kan worden. Zoolang een zondaar Zijn God niet heeft teruggevonden, blijft hij voor eeuwig onvoldaan, Niets, ook het beste niet, wat deze wereld geeft, voldoet den mensch. Geen rijkdom, geen genot, hoe fijn en edel ook. Een oogenbiik moge het hem eenige bevrediging schenken, het is maar voor een oogenbiik, na de verzadiging komt altijd weer de honger; honger is het einde van alle verzadiging. Er is een eeuwig terugkeerende honger. Eén ding is mij een raadsel, hoe een mensch, die niet in waarachtige levende- gemeenschap met God staat, hoe m. a. w. een onwedergeboren mensch 'even kan. Daar begiijp ik niets van. Mij dunkt zoo iemand moet ten slotte het leven verwenschen en vervloeken. Want het eenige resultaat, dat men na alle inspanning telkens weer bereikt, is dorst, is onvoldaanheid, ontevredenheid, knagende ontevredenheid. Met ontroering wijst men er op, dat in den

Sluiten