Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de vraag: of gij de boeken des Ouden en des Nieuwen Verbonds als Gods onfeilbaar Woord erkent, den regel van ons geloof en leven — en de leer der Gereformeerde kerk als in alles daarop gegrond — hebt gij „ja" gezegd.

Op de vraag: of gij door Gods genade bij die leer wildet volharden — haar versieren met een godzaligen wandel — en, bij mogelijk vallen in zonde, u onderwerpen aan de kerkelijke vermaning en tucht, — op dat alles hebt gij insgelijks bevestigend geantwoord.

Gij waart ook van te voren (immers uit kracht van uwen Doop) wel tot dat alles verplicht, maar nog nimmer hadt gij die door uwen verbonds-God u opgelegde verplichting openlijk aanvaard. Wel in het verborgen, vermoed ik, doch niet in het openbaar.

Thans hebt gij dat wèl gedaan. Voor vele getuigen. In het midden van Gods heilige gemeente. En ook voor het aangezicht des Heeren.

En nu komt het op trouw zijn aan, nietwaar ? Nu komt het er op aan: uw woord te houden.

Als ge zoo in 't dagelijksch leven, in natuurlijke zaken, in kleinigheden zelfs, iets aan elkander belooft, dan rekent ge immers op elkander, en dan rekent ge ook u zeiven verplicht om uw woord te houden. Gij weet dat ge anders uw eere verbeurt; terwijl ook een ander in zoon geval uwe achting zou verliezen. Onder jonge menschen is dat gevoel vaak zoo sterk, dat men meent zelfs aan zondige beloften en afspraken zich te moeten houden.

Onder de menschen in 't algemeen is het spreekwoord in eere : een man een man, een woord een woord ; terwijl wij als Christenen weten, dat trouw te zijn aan ons woord,

Sluiten