Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen en waarheid geweest. Dan behoort gij u daarover voor God te verootmoedigen, en die belijdenis in 't verborgen voor Hem te vernieuwen en te verbeteren.

Daarbij herinner ik u, dat gij niet in de eerste plaats iets te gelooven hebt aangaande u zeiven. Velen meenen dat. Ze moeten eerst vastelijk gelooven: ik ben een kind van God, — ik ben het eigendom van den Heere Jezus, — ik ben waarlijk bekeerd. En als ze dat niet gelooven, dan meenen ze geen geloof te hebben.

Doch daar begint het geloof niet mee, zooals u meermalen gezegd is.

Denk eens aan den tollenaar, van wien de Heere Jezus in de gelijkenis spreekt. Wat geloofde die man? Dat hij een kind van God was ? Dat hij, als hij stierf, zeker in den hemel zou komen? Wel neen. Dat kon, dat durfde hij nog niet gelooven. Maar wat geloofde hij ? Aangaande zichzelven, dat hij een arme zondaar was, die Gods geboden zwaarlijk had overtreden. En aangaande God, dat bij Hem genade voor zulk een zondaar te vinden was. Vandaar zijn bede : „O God 1 wees mij zondaar genadig." Juist zooals de heilige Paulus zegt, als hij in Hebr. 11 van het geloof spreekt: „die tot God komt moet gelooven dat Hij is, en dat Hij een belooner is dergenen die Hem zoeken."

Denk ook eens aan den boetvaardigen moordenaar, die naast Jezus aan het kruis hing. Wat geloofde die man, toen hij daar aan het kruis zijn openbare belijdenis deed? Zeide hij: ik geloof dat ik een kind van God ben, — het eigendom van den Heere Jezus, — en als ik straks sterf dan ga ik regelrecht met Hem naar den hemel? Wel neen. Maar wat geloofde hij ? Aangaande zichzelven dat

Sluiten