Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch laat ik eerst even aanstippen wat er in die vraag zoo al opgesloten ligt.

Vooreerst wordt de mogelijkheid gesteld, dat gij te eeniger tijd in openbare zonde zult kunnen vallen, hetzij wat de leer, hetzij wat den wandel betreft. Gij acht dit immers niet onmogelijk? „Die meent te staan zie toe, dat hij niet valle."

De kerkeraden doen in deze soms droeve ervaringen op. De een moet vermaand worden (soms zelfs kort na de belijdenis) van wege onzedelijkheid — een ander om misbruik van sterken drank, — een derde om verzuim van den kerkedienst, — een vierde en vijfde om onderlinge oneenigheid, — een zesde om verwerping van het aloude geloof en meegaan met het wereldsche leven, — nog anderen om andere zonden. Gelukkig niet allen zijn daarover te vermanen, maar toch sommigen, en onder die sommigen kunt ook gij wezen, al kunt gij u thans dit moeilijk voorstellen in het vuur der eerste liefde.

Ten tweede werd toen voor u met een paar woorden gebeden, dat God u voor zulk een vallen en leven in de zonde genadig mocht behoeden. Die bede: ,,'t welk God verhoede 1" wordt gedurig door uwe lieve ouders, en ook in het midden der gemeente en door den kerkeraad voor u opgezonden. Want het gaat ons als den apostel Johannes : wij verblijden ons hierin dat onze kinderen in waarheid wandelen, en het smart ons wanneer wij ze zien vallen, en tot vermaning of censure geroepen worden, ,,'t Welk God verhoede 1" — laat die bede ook maar gedurig in uw hart wezen. En God verhoore ze genadiglijk, uw leven lang.

Ten derde ligt in die vraag ook opgesloten dat elk

Sluiten