Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geestelijking, maar deze evolutie is in de wereld en den tijd, niet in God zelf. Aan Gods onveranderlijk wezen hangt de troost, de kracht en de vreugde van ons geloof. Hij is nü en hiér.

Onder ons heerscht niet het geloof in een onpersoonlijken God, die slechts is h e t Heilige, het goddelijke Leven, al erkennen wij des te nadrukkelijker, dat het geloof in den Vader, den Persoonlijken God, geenszins uitsluit, dat ook deze „Persoonlijkheid" nog slechts een inwonende gedachte is in de bovenpersoonlijke Godheid, welk laatste begrip ons echter leeg zal moeten blijven, als boven menschelijke aanschouwelijke voorstelling uitgaande.

Minderwaardig en ongodsdienstig achten wij den godsdienst, die zichzelf verlaagt tot een geluksmiddel of zaligheidsinstelling van enkel zelfzuchtige strekking.

Wij verwerpen eiken geloofsdwang, zoowel die der roomsche priesterschap als die der confessiën, welke uit eenige leering — ook uit de hier gegevene — zoude besluiten tot een recht, andersdenkenden tot eigen geloofsopvatting te mogen dwingen, daar elke zoodanige dwang strijdig is met de rechten der vrije menschelijke persoonlijkheid, gelijk die ons gewaarborgd wordt door de volstrekte souvereiniteit Gods, welke ons alzoo geschapen heeft.

Wij verwerpen ook die lauwheid, die zich soms wel vrijzinnigheid noemt, maar inderdaad niets anders dan onverschilligheid des geestes en hardheid des gemoeds is.

Eindelijk nog één vraag: Waarheen leidt dit ons Godsgeloof, in vrijheid beleden? Het Remonstrantisme heeft steeds den nadruk gelegd — zoo kan het antwoord luiden — op d e practische beteekenis van alle geloof, op „de waarheid die naar de godzaligheid is" *), op de waarheid die uit het leven moet blijken, d.w.z. op de vruchten, waaraan men den boom kennen zal 2). Het is dus de groei van het godsdienstig leven, die ons tot innerlijkst waarmerk van de kennis Gods wordt. De groei van het godsdienstig leven echter is even menigvuldig als de openbaringen van God! Het groeit door de ervaringen van het leven zelf, door twijfel en lijden en vreugde. Men kan het ook verwaarloozen of verzorgen. In een ander hoofdstuk van dit geschrift zal ook dat nader worden behandeld. Hier hebben wij nog slechts te spreken van den groei der vroomheid zelve, die zich ontwikkelt overeenkomstig diepere kennis van God, zooals

1) Tit. 1:1.

2) Matth. 12:33.

Sluiten