Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. GETROUW AAN HAAR BEGINSEL VAN V R IJ HEID EN VERDRAAGZAAMHEID

Op verscheidene onzer kerkgebouwen staat de oude Remonstrantsche leuze: „Eenheid in het noodige, vrijheid in het onzekere, in alles de Liefde". Deze drie woorden sluiten een heel programma van het kerkelijk gemeenschapsleven in, waarvan ons nu alleen de middelmoot heeft bezig te houden.

„De vrijheid in het onzekere"... wat klinkt dat eigenlijk bescheiden ! Het woord veronderstelt, dat er bepaalde geloofswaarheden zijn, die als algemeen zeker kunnen gelden; waarheden, die dan ook daarom bindend gezag voor allen mogen hebben: „eenheid in het noodige". De groote partijstrijd met de Contraremonstranten echter bracht telkens weer het inzicht, dat er juist over wat als noodig of onzeker mocht gelden, zóó heftig werd getwist, dat die geloofsijver zóó onbarmhartig naar de uiterste consequenties joeg, dat waarlijk wel de eisch mocht worden gesteld: „in alles de liefde".

Deze eisch echter zag op de praktijk des levens, op den vorm van kerkorganisatie en omvang; hij tastte niet het gezag aan van de eenheid in het noodige. Hij wilde een deugd wekken, die bloeien zou op dien bodem der noodwendige eenheid. Die deugd noemt men tolerantie of verdraagzaamheid. De meening eener minderheid wordt geduld — ofschoon niet goedgekeurd. Het maatschappelijk en geestelijk bestaan dier minderheid zal niet worden besnoeid; zal misschien zelfs worden geeerbiedigd. Omdat de meerderheid een onbekrompen blik heeft, en vooral: een ruim hart. Deze deugd heeft haren zin in die tusschengebieden des levens waar de onzekerheid heerscht. De onzekerheid, die den voorzichtige tot onthouding drijft, drijft ook tot vrijheid. Maar gij voelt daarachter: in het oogenblik dat het onzekere zeker wordt, of dat er sprake zal zijn van noodwendigheid, is het gedaan met die vrijheid en verdraagzaamheid. Dan zou weer de strenge regel gelden, het strakke gezag.

Zoo de remonstrantsche vaderen der 17de eeuw. Maar zoo niet meer het remonstrantsche nageslacht der 19de en 20ste eeuw! Het vrijheidsbegrip is gegroeid. Het waarheidsbegrip is gewijzigd. Het organisatiebegrip is verschoven. Ja eigenlijk, het geloof in den mensch is anders geworden.

Het oude beginsel heeft nieuwe vrucht gedragen. Wat in de 17de eeuw bepleit werd in naam der christelijke liefde, dat wordt in onze eeuw geëischt in naam der menschelijke gerechtigheid. Daarachter ligt de geschiedenis van de vrijwording onzer beschaving, de worsteling van den modernen mensch met de oude machten van kerk en staat.

Sluiten