Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. ONS KERKELIJK LEVEN.

Men kan op de vraag, waarom geloovende menschen zich aansluiten tot een gemeente, en de gemeenten weer tot een kerk, het zakelijke antwoord geven: omdat men — wil men iets van beteekenis bereiken — zich moet aaneensluiten en organiseeren. Dit antwoord is juist, maar onvolledig, wijl het voornaamste nog niet is genoemd: de geloovigen vormen een gemeenschap, omdat zij beseffen, dat geestelijke goederen geen privaat-bezit zijn en godsdienst allerminst. Hoe groot aandeel de persoonlijkheid ook heeft aan het geloofsleven op aarde, dit leven wordt altijd door de geloofsgeméénschap gedragen en zonder die geloofsgemeenschap zijn ook de godsdienstige persoonlijkheden niet te denken. De godsdienst en allermeest de christelijke, is tegelijk de meest persoonlijke èn de meest gemeenschappelijke zaak ter wereld. Naast de belijdenis „m ij n Heer en m ij n God!" mag niet ontbreken het „Onze Vader!" Wie alléén het eene kent zonder het andere, beleeft den godsdienst eenzijdig. Want godsdienstig leven is heilige eenzaamheid en tegelijk heilige gemeenschap. De „binnenkamer" geeft, wat de kerk niet geven kan, maar de kerk schenkt wat men in de binnenkamer niet vindt. De kerk rekent op menschen, die de heilige eenzaamheid kennen; zij alleen kunnen een gemeente vormen. Maar in de kerk moet het geloofsvuur branden, dat gemeenschappelijk wordt onderhouden, waartoe ieder het zijne bijdraagt, waarvan ieder het zijne meeneemt.

Dit gemeenschapsvuur wordt onderhouden niet alleen door den geloofsijver der gemeente, maar ook door haar vaste organisatie en den geregel den voortgang van haar werk. Wij menschen mogen ons geestelijk leven niet afhankelijk laten van opwellingen, maar hebben den geregelden voortgang noodig, de ernstige herhaling, de vaste orde. Het geloof is immers geen zaak van geestdrift alléén, maar tevens van strak gespannen en strak gevolgde lijn van levensrichting. De continuïteit van het kerkelijk leven is heilzaam voor het veranderlijk, rijzend en dalend geestesbestaan onzer persoon, en is noodig met 't oog op het vergankelijk karakter van het levende geslacht: de menschen komen en gaan, de kerk blijft staan en leidt het leven in Gods baan.

Is de Remonstrantsche Broederschap dus een kerk? Ja en neen. Neen, niet in den bovennatuurlijken zin van heils-instituut, door God ingesteld en met volstrekt gezag bekleed. Niet in den zin van bewaarster en uitdeelster van het algenoegzaam sacrament of van het alleen-zaligmakend geloof; zij kent geen van beide. Zij is een „vrije" kerk, d.i. een vrije geloofsgemeenschap, die haar leden aan niets anders bindt dan aan het Evan-

Sluiten