Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer ruim van beteekenis, benaming van een broederschap, een gezelschop, ook in de 16de eeuw nog deze beteekenis.

Middeleeuwsche vereenigingen tot onderlinge hulp, vooral bij begrafenissen — voor 't bewijzen van liefdadigheid — voor gezellige bijeenkomsten.

Vele gilden hadden hiernevens ook een staatkundig of een maatschappelijk doel. Ook de Schuttersgilden. Zoo vormden zich reeds vroeg in de steden, met wier opkomst en uitbreiding de gilden in nauw verband staan, vereenigingen van standgenooten met belangrijke voorrechten. Het Gildewezen was machtig door zijn organisatie, ingericht om de nijverheid te beschermen tegen te sterke concurrentie en tegen de groot-industrie. Gelijkheid van stand onder de arbeiders, onderlinge aaneensluiting, gelijkmatigheid van voortbrenging en daardoor van verdienste, zorg voor deugdelijk fabrikaat.

Ook de kamers van Rhetorica (= Rederijkerskamers) noemden zich Gilden of broederschappen.

In Noord-Holland verstond men in de 17e en 18e eeuw door Gilden inzonderheid ambachtsgilden = gesloten, door de stedelijke overheid erkende, onder eigen bestuur staande vereenigingen van burgers eener stad, die dezelfde of aanverwante bedrijven als meesters volgens bepaalde regels uitoefenden. Zij hebben bestaan tot aan de Fransche omwenteling.

Men had verschillende rangen van Gilden, zooals te Utrecht de hoofdgilden (die twee eeuwen lang, 1300—1500, den Raad kozen) en lage Gilden, die geen invloed op de verkiezing van den Raad oefenden.

Een Gilde bestond uit meesters, uit gezellen (die waren tusschen meesters en leerlingen) en leerlingen,

Morgenspraak of Gildensprnak heette de vergadering van een of meer Gilden. In oorlogstijd trokken de Gilden als afzonderlijke legerafdeelingen onder eigen banieren ten strijd: zeer vermaard is d3 strijd door de Gilden der Vlaamsche steden (Gent. Brugge, enz.) in de Middeleeuwen tegen vreemd geweld gevoerd.

Overlieden, gezworenen, dekens vormden het bestuur der Gilden.

VII. De Gilden. (Slot)

Leerlingen moesten eene zekere som betalen als intreegeld, verschillend bij de onderscheidene ambachten. Soms moest"ook de meester, die den knaap in dienst kreeg, deze som betalen. Eerst niet, maar na 1578 moest de meester zich bij de Overlieden van zijn gild voegen, zoo hij een knaap als leerling aannam en dan werd de knaap ingeschreven in 't leerlingen-inschrijfboek. Het aantal leerjaren was voor de leerlingen in verschillende ambachten bepaald. De Chirurgijnsleerling had den langsten leertijd (vijf jaren).

Sluiten