Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regenten gebleven, die steeds overmoediger werden en altijd brutaler tegen de rechten van 'tvolk optraden.

Dit had in den Stadhouder een helper meenen te zien en daar deze niet genoegzaam helpen kon, ontstond er langzamerhand verbittering, niet alleen tegen de Regenten, maar ook tegen den Stadhouder. Deze kreeg zoodoende twee partijen tegen zich over, n.1. de Regentenpartij en de Volkspartij.

Uiterlijk was er bloei, schatten vloeiden ons nog toe uit Oost en West, maar innerlijk was er bederf en verrotting. De werkzaamheid en veerkracht onzer vaderen in de 16de eeuw was verdwenen. De kooplieden gingen zelf niet meer uit handelen en de zee bevaren, maar lieten dit door anderen doen. Het geld, eigenlijk slechts ruilmiddel, werd koopwaar in deze akelige eeuw. In zulken tijd kon de onzinnige en onzedelijke windhandel en de dwaze tulpenhandel plaats grijpen. De kooplieden gingen speculeeren.

Tegenover het buitenland werd ons land al zwakker en zwakker (Bewijzen: de Oostenr. successie-oorlog, de oneenigheden met Keizer Jozef en de 4e Engelsche oorlog,) onbegrijpelijk onvoorzichtig. De landmacht - werd geheel verwaarloosd, omdat men bevriend was met Frankrijk, maar ook aan de vloot liet men zich niet gelegen liggen, zoodat de Raad van State in 1757 zelfs meende te moeten vragen, of men niet verstandig deed, als wat tot de zeemacht behoorde, te verkoopen. Toch had men voorzichtig behooren te zijn, als men lette op de donkere wolken, die zich nu en dan aan den politieken hemel vertoonden (denk o. a. aan de verdeeling van Polen).

Hoe diep men gezonken was, bleek b.v. uit de aanbieding van geschenken aan de roofstaten Algiers en Marokko, om het plunderen der schepen te voorkomen.

De gezant van Frankrijk had slechts te bevelen en in Den Haag gehoorzaamde men.

Natuurlijk hadden we geen invloed meer in Europa. Men schond, om Frankrijk te believen, zelfs afspraken met Engeland gemaakt. Engeland en de Stadhouder waren woorden, die voor de Regenten bijna ééne beteekenis hadden. Men stond zelfs toe, dat Frankrijk bezetting lei in Ostende en Nieuwpoort.

Vooral na 1778 zette men zich schrap tegen den Stadhouder (Bewijzen).

Er was een wanhopige worsteling in ons land tusschen den Stadhouder, de Regenten en de democraten, tusschen Holland en de overige provinciën en eindelijk tusschen geloof en ongeloof.

Vraag 1. Hoe verklaart men den rijkdom van ons land in den tijd der verslapping?

2. Hoe is het mogelijk, dat men de vloot verwaarloozen kon en toch telkens Engeland kwetsen?

„ 3. Waaruit en wanneer bleek de verwaarloozing der vloot?

Sluiten