Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen wonder; want het is daarvoor dat ik nogmaals het studeervertrek voor de woelige vergaderzaal verliet.

Ook als medelid der Vereeniging van Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs, was ik getuige van de onverantwoordelijke tegenwerking die aan het christelijk onderwijs ten deel viel. Daarom gaf ik aan de roepstem van vele geloofsgenooten gehoor. Ik meende ook mijnerzijds niets onbeproefd te mogen laten tegen onverdraagzame en oneerlijke praktijken; tegen onregt en willekeur in de toepassing eener, reeds bij onpartijdige handhaving, betreurenswaardige wet.

Bij dezen Minister van Binnenlandsche Zaken en bij eene Kamer, grootendeels in personeel dezelfde die de wet gemaakt heeft, dacht ik hulp te zullen vinden voor de naleving van haar hoofdbeginselen; voor vrijheid van onderwijs en onzijdigheid van den Staat ').

In Sept. 1862 heb ik deze beweegreden ter wederaanvaardiging van het lidmaatschap der Tweede Kamer, eer ik zitting nam, kenbaar gemaakt.

"We zullen ons moeten verblijden, indien men de hoofdbeginselen der wet van 1857 naleeft; indien de openbare school waarlijk neutraal en het christelijk onderwijs waarlijk vrij is. Veel zal zijn gewonnen , indien de verordening, waartegen in 1856 Koning en Volk zich met zooveel ijver en afkeer hebben verzet, in den zin en geest waarin zij tot stand kwam, ten uitvoer gelegd wordt. Voor mij althans is

') Mijne gunstige verwachting, in dit opzigt, van het Ministerie Thorbecke heb ik reeds in April 1862 medegedeeld. Berigten der Vereeniging eau chrisleljk-natiovaal schoolonderwijs, p. 115. — Wat deze Kamer betreft, zie hierna p. 10.

Sluiten