Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wensch en het uitzigt van mede te werken tot eerlijke handhaving derzelfde wet, om wier aanneming ik de Tweede Kamer verliet, de reden waarom ik terugkeer."

Tevens wees ik er op hoe, in de schoolvraag, de toekomst van Kerk en Vaderland, om den algemeenen strijd der beginselen , op het spel is.

" Het geldt niet het lager onderwijs alleen. Onder de leus van scheiding van Kerk en Staat die, welbegrepen, ook door ons begeerd wordt, is het, in den grond der zaak, om bezieling van Staat en Kerk en School met de religie van het ongeloof te doen. In Nederland moet nu uit de openbare instellingen het christelijk beginsel worden geweerd. Staatsregtelijk leven wij in een godsdiensteloozen Staat. Vergelijkenderwijs is deze godsdiensteloosheid een voorregt, indien er waarlijk vrijheid is voor den Christen ; indien de christelijke veerkracht eener Natie, die, aan haar geschiedenis gedachtig, met den niet-christelijken Staat nog niet homogeen is, door geen opzettelijke en veelzijdige tegenwerking gesmoord wordt. Zeer ten onregte zou men daaromtrent onbezorgd zijn. Men meent den Staat te neutralizeren; men geeft den Staat aan gansch niet neutrale invloeden prijs. Als in den Staat het christelijk beginsel niet meer den boventoon heeft, zal het antichristelijk beginsel, in den staatsvorm genesteld, tegen al wat aan eene christelijke Natie nog heilig en dierbaar is, worden gekeerd"1).

Het program mijner parlementaire ondersteuning of oppositie was dus ongeveer dit:

') Ter nagedachtenis van Staiil, p. III.

Sluiten