Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu althans is het mislukt-zijn van de proef openbaar.

In 1857 deed een hooggeacht staatsman, die met weerzin voor de wet gestemd heeft, " een beroep op christelijke, op verdraagzame praktijk" '). Zoo het niet baatte, zou welligt herziening van art. 194 der Grondwet onvermijdelijk zijn.

In 1862, na vijfjarige allezins onverdraagzame praktijk, heb ik herhaald: " eerlijke handhaving is het eenige middel om aandrang tot wetherziening en ook, voeg er dit gerust bij, tot herziening van art. 194 der Grondwet te ontgaan " 2).

En, in 1863, is het, na zooveel leerrijke teleurstelling, niet twijfelachtig waarheen, als naar het welligt alleen genoegzame redmiddel, het oog moet worden gerigt.

Art. 194 der Grondwet, indien het (wat dezerzijds ontkend wordt) in den zin van art. 16 der wet moet worden opgevat, zou niet enkel met de vrijheid van onderwijs, maar ook met de scheiding van Kerk en Staat in strijd zijn.

Aan het openbaar onderwijs gaven wij , zoolang er van gemeen overleg met de Kerk spraak was, de voorkeur. Doch, nu dergelijke verstandhouding wegvalt, nu de staatsschool geheel buiten verband tot de Kerk is, nu moet er eene gewijzigde, eene omgekeerde verhouding tusschen openbaar en bijzonder onderwijs zijn. Nu moet aan de neutrale school geen voorrang worden verleend. Nu moet het volk niet in de noodzakelijkheid worden gebragt gebruik te maken van dergelijk een school. Nu moet concurrentie niet bijkans onmogelijk zijn. Nu moet het financieel en zedelijk ovcrwigt van den

') p. 19. 2) p. 20.

Sluiten