Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet van 1857 is, in de hoofdgedachte, zijn werk. Zoo hij de inlassching van het woord christelijk vergunde, aangenomen werd de wet niet, eer dit allezins gevaarlijk woord genentralizeerd was; eer het Ministerie zich, ook in dit opzigt, met het lid wit Deventer homogeen betuigd had; eer de Minister van Justitie , ter afwering van de niet-christelijke volksschool door den Koning benoemd, zelf de verklaring afgelegd had : "Door de beperking van art. 23 kan en mag, zoo als de spreker uit Deventer zeer juist gezegd heeft, opleiding tot christelijke deugden op de gemengde school in geen anderen zin worden opgevat, dan dat alle leerstellige en dogmatische bestanddeelen, alles met één woord wat tot het begrip des Christendoms, van zijne waarheden, van zijne feiten, van zijne geschiedenis behoort, van de gemengde school verwijderd moet blijven. Ik meen dat die verklaring juist en dat zij duidelijk is. Dat het alzoo zij , vordert de Grondwet en dit vordert de regtvaardigheid" 1).

Wel is waar maakte toen reeds het lid uit Deventer van een Christendom hoven geloofsverdeeldheid gewag; van een christendom waarbij het kruis wegvalt 2). Maar bijna niemand was er die deze vermelding niet met de zonderlingheid der toenmalige omstandigheden in verband bragt. De christelijke leus was onmisbaar. Zoo het woord wegviel, zou aan den Minister van Justitie de stroohalm ontvallen , waaraan hij , ten

') Deze verklaring waarop de wet (zoo als ook de heer v. Lijnden aan de Tweede Kamer in Dec. 1861 herinnerd heeft) werd aangenomen, is bij het lid uit Deventer in vergetelheid geraakt. "Ik word nu," zeide hij, "verantwoordelijk gesteld voor eene verklaring die na de wet van 1857 door het toenmalig gouvernement gegeven schijnt." Zie p. 128, 138.

2) Zie mijne Adviezen, TI. 269*.

Sluiten