Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betoogevan de christelijkheid der wet, vasthield. Eene schijnbare dubbelzinnigheid, door velen een onzedelijk woordenspel genoemd, zou het meest eenvoudige redmiddel uit deze verlegenheid zijn. Aldus zou men het ontwaken, eer de slag geslagen was, beletten. Zachtkens zou de wet worden ingevoerd en het misverstand, nadat het uitgediend had, wijken. Op de niet-christelijkheid der school, voor Israeliet en Christen, kon men immers volkomen gerust zijn.

\

Merkwaardig vooral is het dat de Minister, voorstander bij uitnemendheid der scheiding van Kerk en Staat, verklaard heeft dat eigenlijk het onderwijs niet tot de staatszorg behoort. Bijv. in 1852: "Een land waar enkel bijzondere scholen zijn, zou zich zeer wel kunnen bevinden. Het onderwijzen is geene taak van regering. De regering moet alleen voor een publiek onderwijs zorgen, omdat de bijzondere personen gemeenlijk te kort schieten."

Aan het einde van onzen strijd, in 1857, had de Minister dien aldus zamengevat: " Zoo hij vrijheid van onderwijs vroeg, was ik zijn bondgenoot; maar van het oogenblik af, dat hij het onderwijs, in zijn geest te geven, met een officieel karakter trachtte te bekleeden, was scheiding en strijd onvermijdelijk."

Mij dunkt, hieraan gedachtig, mogt ik, na vijfjarig afzijn, aldus de olijftak aanbieden: "Welnu, op dit oogenblik sta ik, volgens den Minister, op zuiver terrein; van officieel karakter is geen sprake, ik vraag alleen vrijheid van onderwijs. Zal hij wederom mijn bondgenoot zijn? ').

') P- 12.

Sluiten