Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik mogt op handhaving dei- neutraliteit vertrouwen en van de mogelijkheid gewag maken dat art. 194 der Grondwet met het ontwerp der staats-commissie van Maart 1848 in overeenstemming zou worden gebragt 1).

En nu, wat is er, na deze reeks van antecedenten, in de afgeloopen zitting gebeurd ?

Do Minister is en blijft vriend van het bijzonder onderwijs, ja, maar alleen in zoo ver dit, in aard en strekking, met het openbaar onderwijs overeenkomt.

De Minister is en blijft voorstander van de onzijdigheid der staatsschool, ja, ter weering van het christendom dat ergernis geeft; maar het christendom boven geloofsverdeeldheid, waarvan in 1857, slechts om der omstandigheden wille spraak scheen, wordt nu, in 1863, nadat de ervaring tot in het ongelooflijke geleerd heeft wat er al zeilt onder christelijke vlag, desniettemin, als schoolbezielend , gesystematizeerd.

De Minister is en blijft ijverend voor de scheiding van Kerk en Staat; ja, maar de bijvoeging zoogenaamde voorspelt de geheele reeks van afwijkingen die we reeds zagen en nog te gemoet zien.

Zoo is het niet vreemd dat ik opposant werd.

Misschien zelfs vindt nu menigeen dat ik in mijne oppositie te slap was. Ik zou kunnen volstaan met de opmerking dat ik noodelooze scherpheid afkeur en de parlementaire vormen, naarmate door de ministeriëlen minder naauwgezetheid daaromtrent betoond werd, met des te meer angstvalligheid in acht nam. Maar buitendien viel het mij niet zwaar, omdat ik

') p. 20.

Sluiten