Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luistert, — dien moet het wel gaan als de ziel, waar Guido Gezelle van zingt: —

„Jeéu — lleféle — Jeóu mijn — ellacu) Kon ik wel mijn Leven zijn zoo dwaaé,

dat ik Uwe Liefde niet en zag,

dat ik U aLLeene Liet en Lag verre van mijn vaderlijke huid,

Levende bij 't wereldlijk geópuió ? —

Jeéu —■ liefóte — Jeéu mijn —• welaan Nu zal 't voor mijn Leven zijn gedaan,

W^eiger mij Uw gratie niet — o Heer,

ik die u alleene Hel een keer,

nimmer meer en loop ik deur — in huid blijve ik — kwame al d' helle en

heur gespuid". — —

Wonderlijk, dat de vier Evangeliën, die ons zoo haarfijn het geestelijke beeld van den Heiland afmalen, met geen enkel woord spreken over Zijn uiterlijk. Wij weten er niets van. De eenige plaats, die ons spreekt over het uiterlijk van Jezus Christus, is daar, waar dat verheven visioen uit de Openbaring wordt beschreven, dat de schilder Diirer in zijn schilderij „Christus uit de Apokalypsis", ons zoo wonderlijk mooi heeft weergegeven.

Sluiten