is toegevoegd aan uw favorieten.

De eenige troost in leven en sterven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den Catechismus, en zoodanige verlorenheid leert de mensch in vijftig jaren zoowel als in vijftig seconden kennen; en men moet er voortdurend, ook door tuchtiging, van overtuigd worden, dat het met de zaak waarlijk zoo gelegen is. De duivel zal er mee tevreden zijn, dat de grootste kerken gebouwd worden, dat een millioen wordt uitgegeven, om aan de zending te arbeiden en Bijbels te laten drukken, zoo hij slechts ééne ziel door het vertrouwen op zoodanig werk kan doen vallen. Zoo waard als den Heere Christus de ziel is, om haar verlost te hebben, zoo waard is zij den duivel, om haar te verderven. Het gaat hier niet om den mensch, niet om de ziel; er staan hier twee vijanden tegen elkander over. Christus is den duivel een vijand, en de duivel is Christus een vijand. Wie zal het gewonnen hebben? — Dit nu leert Christus den Zijnen en prent het hun in: „Zonder Mij kunt gij niets doen!" Dit scherpt Hij hun in: „Kind, gij zijt verloren, en slechts aan Mijne hand, zoo gij in Mij blijft, en Ik in u, zijt gij gered!" Hij geeft het kind, Hij geeft den volwassene de goede keus in het hart: ik moet in den hemel, ik moet in den hemel!

Waar nu kennis der verlorenheid is, daar is ook kennis van het gevaar, en waar kennis van het gevaar is, daar wordt gezien op de hand, de doorboorde hand, op de wondermacht, waarmee men verlost is uit alle geweld des duivels ; en waar daarop gezien wordt, daar dreige duivel, zonde, hel, wereld, Christus bewaart u, Christus bewaart mij !

Jesus Christus, mijn trouwe Heiland, bewaart mij alzoo, dat

Van den hemel, daarvan willen wij nu eens in het geheel niet spreken; dien kunt gij mij niet ontrooven, o alle gij vijanden! de eeuwige zaligheid mijner ziel, — dreigt vrij, zooveel gij wilt, — zij is geborgen in Christus' doorboorde hand! maar wat de aarde betreft, ook op deze kunt gij mij niet het geringste leed doen ! Zelfs geen haar, — en er vallen er toch dagelijks vele uit, — zelfs geen haar van mijn hoofd valt ter aarde, of het is des Vaders heilige wil, dat met het uitvallen der haren mijne kracht