is toegevoegd aan uw favorieten.

Wedergeboorte en doop in verband met den eersten en laatsten Adam

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als Zoon des menschen de heerlijkheid zal ontvangen, die Hij als Zoon Gods bij den Vader had eer de wereld was, spreekt Hij dit eerste woord van koninklijke majesteit: Mij is gegeven alle macht. De geheeie aarde, eenmaal aan Adam ter onderwerping gegeven en door diens zondeval onder de macht des Satans gekomen, Ik heb ze Mij gekocht, met Mijn bloed den losprijs betalende ; nu is ze Mij gegeven, daarom zend Ik u als Mijne gezanten : predikt de blijde boodschap der verlossing uit des Satans macht, het evangelie van Mijne aanstaande wederkomst als Koning in heerlijkheid ; predikt het aan alle kreaturen, dat al de volken toebereid worden Mij als hun Koning te erkennen en te gehoorzamen. Leert hen onderhouden alles, wat Ik ulieden geboden heb. Zulks is hun onmogelijk ; als kinderen Adams zijn ze dood in zonden en misdaden, onbekwaam tot eenig goed ; het vleesch kan zich der wet Gods niet onderwerpen ; daarom doopt ze eerst, doopt ze in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes ; brengt ze over, plant ze over uit dien bodem der zonde en des doods in den grond desj eeuwigen levens, dat ze uit God geboren, « der Goddelijke natuur deelachtig worden » (133), en aldus in staat gesteld alles te onderhouden.

Staan we nog even stil bij die uitdrukking « doopen in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. » Wat is de bedoeling van het woord naam alhier ? — de naam is de uitdrukking van het wezen. Noem ik iemand Vader, dan druk ik in dien éénen naam de betrekking uit van naaste bloedverwantschap met al de teedere banden en gevolgen daarvan. Onzichtbare dingen kennen wij door derzelver naam. God, de Onzienlijke, heeft zich in de oude bedeeling doen kennen door Zijn Naam en elke nieuwe Naam, waarin Hij zich Zijnen vertrouwden kond deed, was een nieuwe openbaring Zijns wezen (134). Toch verwachtten de OudTestamentische geloovigen een volkomener openbaring. « Ik zal Uw Naam verwachten », zingt David, in geloovig uitzien naar de vervulling der beloften (135). Die heerlijker openbaring is gegeven toen het Woord (136) is vleesch geworden, zij het dan ook nog in de dienstknechtsgestalte, « in gelijkheid des zondigen

door Zijn lichaam, de gemeente ; straks (in Zijne wederkomst) met deze vereenigd zal Hij als Koning al Zijne vijanden en laatstelijk den dood te niet doen. (1 Cor. XV : 24—26.) En daarna zal alles in den nieuwen hemel en op de nieuwen aarde samenstemmen in* het ééne groote Halleluja ter eere van God Vader, Zoon en Heiligen Geest, Die ons schiep, verloste en heiliqde

(133) 2 Petr. 1:4.

(134) Exod. VI : 2.

(135) Ps. Lil : 11.

(136) Het woord is de belichaming, derhalve de openbaring der onzichtbare gedachte. Waar die naam het Woord aan den Zoon wordt gegeven, is ze tot op zekere hoogte gelijkluidend met dien anderen « het uitgedrukte beeld » van Gods zelfstandigheid. Hebr. 1:3.

3