is toegevoegd aan uw favorieten.

De kinderdoop, beschouwd met betrekking tot de kerk, de praedestinatie en de wedergeboorte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meuten heeft zijne beteekenis voor hen verloren. Zij houden letterlijk vast, dat Eeredienst Godscfe'ewsZ beteekent en zij beschouwen derhalve God bij uitsluiting als het voorwerp van het godsdienstig handelen van den mensch, niet bedenkende, dat de mensch God alleen in zoo ver tot het voorwerp van zijne Eeredienst maken kan, als God zelf den mensch daartoe opleidt. Overeenkomstig deze wijze van beschouwing verheft de gemeente, bij hare Godsdienstoefening, zich tot God, zij hoort eene predikatie over God, God zeiven echter stelt zij zich gedurende de geheele Eeredienst voor als niets doende of werkende. Hij ont-, vangt slechts de geestelijke offeranden, zonder zelf iets te geven, te doen, te werken. In zoo verre God zelf bij de eeredienst als zelf werkzaam voorgesteld wordt, geschiedt dit alleen door de onbepaalde voorstelling van den Goddelijken geest, die in het menschelijke hart, in het gevoel en in de geloovige stemming zijne tegenwoordigheid openbaart; Christus echter, het Middelpunt der Godsdienst, denkt men zich slechts als een voorwerp der herinnering.

Zal Christus echter meer zijn, dan de, in de geschiedenis eenmaal opgetredene, verkondiger van een beginsel, dat, na Zijn heengaan, in staat was, zich uit zichzelve te ontwikkelen; moet men Hem zich veeleer denken als het onzigtbare Hoofd, dat tot de gemeente, als Zijn geheimzinnig ligchaam, in betrekking staat, als de persoonlijke middelaar tusschen God en de menschen, van Wien de gemeente den geest steeds op nieuw moet ontvangen : dan moet men Hem zich ook niet enkel denken als voorwerp van de Eeredienst Zijner gemeente, maar ook als den eeuwigen grondvester van deze Eeredienst, die niet ophoudt zelf in Zijne gemeente werkzaam te zijn (zu fungiren). Er moet van Christus gesproken worden niet alleen als van een voorwerp, maar ook als van een levend, eeuwig tegenwoordig persoonlijk wezen. Het ware begrip toch van het koningschap van Christus, van het oorspronkelijke mysterie of de verborgenheid, waarop de Kerk rust, is dit, dat de zinnelijke of zigtbare scheiding van deze en de toekomende wereld reeds opgeheven is in de gemeenschap met Hem,