is toegevoegd aan uw favorieten.

De kinderdoop

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geest, en dan is Zijn dienst niet meer een dwang, maar een liefdedienst. — En dit genadeverbond is zoo onverbreekbaar als het verbond van den dag en den nacht. De zaligheid is even zeker aan allen, die in dit verbond begrepen zijn, als de eed en de belofte Gods dezelve maken kunnen. — En dit is het juiste onderscheid tusschen het Oude en Nieuwe Verbond: wat voorwaardelijk is behoort tot het Oude Verbond, en wat onvoorwaardelijk is behoort tot het Nieuwe Verbond of Evangelie; en van zulk een genadeverbond als dat, waarvan het Doopsformulier van de Gereformeerde Kerk spreekt, weet de Schrift niets!

Het genadeverbond was aan Abraham geopenbaard eer het verbond der besnijdenis met hem gemaakt werd, en dit wordt altijd verward door de kinderdoopers met het verbond der besnijdenis. En het is alleen door het verwarren van geheel afzonderlijke gebeurtenissen in de geschiedenis van Abraham, dat zij in staat zijn om hun bewijs van „het verbond met Abraham" eenigen graad van aannemelijkheid bij te zetten. En toch is het zonderling dat iemand, die eenig inzicht heeft, voorbij kan zien, dat dit plan van uitleggen den brief van Paulns aan de Galaten tot een mengsel van ongerijmdheden maakt! Niemand kan dien brief uitleggen naar de beginselen der hedendaagsche kinderdoopers, zonder Paulus voor te stellen als aanbevelend en verheffend als des Christens hoop — wat hij in het volgende oogenblik beschuldigt van het Evangelie te verkeeren, terwijl het vasthouden daaraan „van de genade vervallen" doet! — De zekerste weg tot het ontwarren van dit weefsel van tegenstrijdigheden, is te gaan tot dezen zelfden brief aan de Galaten, alwaar wij het onderscheid tusschen het verbond der besnijdenis en dat der genade duidelijk uit elkander gezet zullen vinden.

Het verbond der genade is het waarheen Gal. 3 : 8 verwijst: „En de Schrift te voren ziende, dat God de Heidenen uit het geloof rechtvaardigen zou, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: in u zullen al de volken gezegend worden." Wij merken hier op, dat God deze belofte aan Abraham niet gedaan heeft, toen hij het verbond der besnijdenis met hem maakte; zij is aangehaald, niet uit Gen. 17, maar uit Gen. 12 : 3, en was aan Abraham gedaan, toen hij geroepen werd om uit zijn land en uit zijne maagschap te gaan, naar een land dat God hem wijzen zou.

Er wordt verder van gesproken in Gal. 8: 15—17: „Broeders, ik spreek naar den mensch: zelfs eens menschen verbond dat bevestigd is, doet niemand te niet, of niemand doet daartoe. Nu zoo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uwen zade; hetwelk is Christus." De beloftenis gedaan aan Abraham is die,