is toegevoegd aan uw favorieten.

Een blik op den christelijken waterdoop bij het licht van Schrift en historie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemd, en hem beschouwd louter als eene zinnebeeldige instelling of handeling, die op zich zelve geene kracht had, tenzij alleen in zooverre zij op eene zigtbare, aanschouwelijke wijze afspiegelde, wat er onzigtbaar en inwendig in den wedergeborenen mensch plaats gevonden had. Ook hier, ik zie dit nu in, heb ik mijn zegel gehecht aan eene van der jeugd af mij ingeplante beschouwingswijze, die ik echter door de Schrift niet weet te regtvaardigen. Immers, de Schrift gewaagt meermalen van teekenen, beelden, schaduwen en afbeeldingen, maar ik bespeur niet, dat zij ergens den doop onder dezelve rangschikt. Integendeel, als ik de wijze, waarop zij zich hier en daar over den waterdoop uitdrukt, onbevangen naga, dan moet ik erkennen, dat zij over deze plegtigheid spreekt als over eene handeling, welke eene van zonden reinigende, behoudende en zaligmakende kracht heeft. Becds het plegtige Woord des Ileeren (Mare. XVI vs. 16): die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, moet iederen onbevangenen lezer den indruk geven, dat zulk eene plegtigheid, die met het geloof op ééne lijn geplaatst wordt als vereischt tot zaligheid, toch wel iets meer dan louter een teeken of zinnebeeld zijn moet. Zeker, uit het volgende lid van dat Schriftuurvers (wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd icorden) blijkt, dat het gemis van het geloof alleen reeds voldoende is om iemand te doen verloren gaan. Maar dit neemt niet weg, dat er toch, volgens het eerste lid, twee dingen noodig zijn om iemand zalig te maken, namelijk geloof en — doop. En indien dit zoo is, dan moet ik eerlijk bekennen, dat ik het mij moeijelijk kan voorstellen, dat zulk eene tot zaligheid vereischte zaak louter een teeken, eene figuur, eene soort