is toegevoegd aan uw favorieten.

De hervormer Luther en de Baptisten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Luther, die in de drie hoofdleerpunten over den doop der waarheid getuigenis heeft gegeven, toch — tegen de waarheid in — den kinderdoop verdedigt ? Ons antwoord is : Luther ging geenzins uit van het beginsel om alles uit de kerk te verwijderen, wat niet op de heilige Schrift gegrond was. Zijn doel was alleen weg te doen , wat rechtstreeks tegen de heilige Schrift indruischt. Daarom zag hij voor zich reeds een doorslaand bewijs voor de waarheid des kinderdoops in deze bewering: »Men kan niet eene enkele uitspraak bijbrengen, die bewijst, dat de kinderen in den doop niet gelooven kunnen." Yoorts was het Luthers streven niet, de kerk terug te brengen tot den toestand, waarin zij zich ten tijde der apostelen bevond, maar hij begeerde haar te hervormen naar hetgeen zij was in de dagen van Augustinus, 400 jaren na Christus. Lang voor Augustinus was echter de dwaling reeds wijd en zijd verbreid, dat ieder gedoopte vergiffenis der zonden ontving. Uit die dwaling ontsproot de kinderdoop, daar men meende, dat de kinderen, die ongedoopt stierven, verloren waren. Uit diezelfde dwaling ontsprong tevens het in de oude kerk veelvuldig, ja in sommige streken algemeen heerschende gebruik om aan kleine kinderen het avondmaal te geven, waarop zij inderdaad evenveel recht hebben, als op den doop. Augustinus beweerde, dat het gebruik des avondmaals door kinderen evenzeer van de Apostelen afkomstig was als de kinderdoop. Wie hem nu in het laatste gelooft en volgt, die doe het ook in het eerste. Aan die dwaling had Luther zich ook blindelings en hardnekkig overgegeven; waarom hij dan ook den kinderdoop met alle macht verdedigde. Want zoo nadrukkelijk hij de latere roomsche dwalingen en misbruiken aantast, den aanvang der dwaling zelve, de allereerste afwijkingen der kerkleer van de Heilige Schrift, liet hij ongemoeid.

Hoogst merkwaardig is het, Luthers bewijsvoering voor de leer van de rechtvaardigmaking des geloofs, en voor andere bijbelsche, evangelische waarheden te vergelijken met de praktijk, welke hij in toepassing brengt bij de verdediging van den kinderdoop. In het eerste geval beroept hij zich steeds op de Schrift, in het laatste op de Kerk en de kerkvaders. Zoo zegt hij, b.v. in zijn groote katechismus: «Hierbij komt ons nu eene vraag voor de aandacht, waarmede de duivel en zijne handlangers de wereld in verwarring brengt, ten aanzien van den kinderdoop, n.1. of de kinderen geloof bezitten en of zij recht hebben op den doop. Daarop antwoorden wij kortelijk: »Wie eenvoudig is, die wijze zoodanige vraag af, en late de beantwoording aan de geleerden over." Wilt gij echter antwoorden, dan zeg: »Dat de kinderdoop God behaagt, wordt voldoende bewezen uit zijn eigen werk, n.1. dat God er zoovelen bekeert en den Heiligen Geest geeft,

die op die wijze gedoopt zijn" Indien God den kinderdoop

niet erkende, dan zou hij den zoodanigen ook den Heiligen Geest niet geven. Somma : bijgevolg zou reeds sinds eeuwen her tot op dezen tijd geen mensch een Christen zijn !" Waarlijk wel een ongenoegzaam bewijs! Cornelius had den Heiligen Geest ontvangen en was Christen, eer hij gedoopt werd (Hand. 10: 44—48). Daaruit blijkt duidelijk,