is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerrede over psalm 40, vs. 7-9

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerlijken, — aan zulk eenen wil liad de Zoon een ongemeen welbehagen, daarom zeide hij : ik heb lust om uw welbehagen te doen. Want de Zoon kan niet anders willen, dan dat de Vader verheerlijkt worde, en daarin wordt de Vader verheerlijkt, dat hij vele kinderen tot zijne heerlijkheid gebragt liebbe. De Zoon bekende des Vaders wet, hij doorzag die geheel. Hij zag wat God met zijne Wet beoogde, namelijk het tijdelijke en eeuwige geluk van alle uitverkorenen-, hij doorzag het, dat het eene Goddelijke, heerlijke wet is; God wil het alles geven, wat in de wet gezegd is; dezelve is geheel uit zijn hart gevloeid. Hij wil zijne armen en ellendigen, die in hunne verlorenheid ter neder liggen, geheel volkomen voor zich stellen; hij wil hen in zijne wegen houden, zoodat zij noch ter regter, noch ter linker zijde daarvan afwijken. Hij wil meesterstukken zijner genade uit hen maken; zij zullen alle werken hebben; hunne werken zullen allen in God gedaan zijn; zoo zullen zij vol bevonden worden voor God. Zulk eene rijkswet, waarbij gezegd wordt: Mijne ellendigen zullen volheid hebben; mijne armen zullen rijk zijn; goddeloozen zullen mijne geregtigheid hebben; verlorenen zullen met mijne heerlijkheid bekleed zijn ; zij zullen van mijne genade leven; uit mijn geloof regtvaardig zijn; ik vraag niet naar offers, naar werken; hun heil zal bij mij vast staan, -— zulk eene rijkswet behaagde den Zoon. Ik heb haar in mijn hart, in mijne ingewanden, zegt hij tot den Vader, zoo zeer was hij het met de wet eens. — Alzoo drukt hij zich uit in den 40stcn Psalm.

En : Ik heb lust, o mijn God ! om uw welbehagen te doen, en uwe wet is in het midden mijns ingewands; dat zegge