is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerrede over psalm 40, vs. 7-9

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij haar niet in uwe ingewanden met u dragen en in uw hart liefhebben, deze Rijkswet, volgens welke het heet, het arme kind verstaat niets van de wet; ik zal het in een vervulde wet overzetten , opdat het in dezelve, ofschoon hem het booze ook bijligt, niets dan wat goed is doen zal, en elk kwaad, dat het zich berokkenen zou, zal ik van hem afwenden.

Geliefden! offers en gaven wil God niet. Hij zelf wil zaliginaken ; Hij heeft het ook gedaan, doet het, en zal het doen, en zal een God van volkomene zaligheid zijn. Dat is zijn wil, dat wij zelfs geene zucht tot onze zaligheid toebrengen •, niet eens ééne traan , ook geen gebroken en verbrijzeld hart. Wij zijn voor de zaligheid Gods, wij mogen doen en laten wat wij willen, geheel en al onbekwaam. Zalig te maken is alleen Gods werk, en het is Gods wil, om dat zware werk alleen uit te voeren, opdat wij waarachtig in zijne zaligheid geborgen zouden zijn. — Wilt gij dezen wil ? — O, als wij zeiven die konden willen , zoo ware het niet Gods werk alleen! Neen, wij willen niet zalig worden, wat wij ook beweren mogen; ook het willen is van God. Want zal God alleen zaligmaken, zoo gaat de mensch in den dood, ganschelijk in den dood, met al het willen, met werk en offers, met goed en kwaad, met heiligheid en zonden, met deugd en geregtiglieid. God echter blijft, en wat Hij zich voorgenomen heeft, namelijk om onze zaligheid alleen daargesteld te hebben, dat zal hem niet berouwen. Aan zijne regterhand zit Christus, die heeft dezen wil gekend, ook gewild.