is toegevoegd aan uw favorieten.

Van de evangeliebediening en van de roeping er toe

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roeping is gegeven'' »). Feitelijk verschilt de benaming van leeraar hiermee niet in beteekenis.

En naar de belofte, die gij hebt af te leggen bij uw toelating tot de Evangeliebediening (1888), hebt gy eens dit werk te doen „in het diep besef uwer roeping en in vertrouwen op God, met trouw en yver, overeenkomstig het karakter en de beginselen der Hervormde Kerk hier te lande" 2).

Gij erkent de groote beteekenis van deze belofte, en gij stemt toe, dat er aan te peuteren of er mee te knoeien evenmin past als om dit te doen met hetgeen het formulier of de beroepbrief zegt.

By het vele goede, dat in al het boven aangehaalde wordt opgemerkt aangaande „ons" ambt, hebben mij altijd die beide stellen van benamingen: herder of dienaar des Woords, herder en leeraar het meest getroffen. De soberheid er van bekoort mij meer dan de overdaad elders. Een Ravesteyn b. v., dien ik nog eens aanhaal, roemde de Evangeliedienaars als „vorsten, prinsen, helden, opzieners, ouderlingen, voorgangers, uitdeelers der verborgenheden en gaven Gods", welke in waardigheid den regent, ja den vorst en den koning verre te boven gingen 3). Want laat het grootste deel dezer titels op hen toepasselijk en Bijbelsch van oorsprong zyn, in

1) Prof. P. Biesterveld, Het Gereform. Kerkboek, 1903, bl. 290.

2) Regl. op het examen tot toelating enz., art. 27.

3) De openb. eeredienst der Ned. Ilerv. Kerk, door Dr G. D. J. Schotel ,2de uitg. door Prof. Dr H. C. Rogge, bl. 283.