is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerrede over Zach. VIII: 23; uitgesproken in de Gereformeerde Kerke te Mydrecht, op den 7den september 1777

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dia de Apostelen bad om bij baar te blijven , ja dezelve dwong, en als bij de slippen vasthield, Hand. 16:15.

§§§• Diezelfde woorden gebruiken hier alle die tien Heidensche mannen, waardoor uitgedrukt wordt hunne eensgezindheid; zij vallen als een eenig man die Apostolische mannen om het lijf, van één gemoed en van één gevoelen ; trouwens , bet was maar één Geest, die iien allen bezielde, 1 Cor. 12:11; die een en hetzelfde grondbeginsel in hen allen gewerkt had, door het gehoorde Woord des Geestes, waarvan zij den voorsmaak geproefd hadden.

(b) Gelijk zij dit nu openlijk verklaren, zeggende: wanl wij hebben gehoord dat God met ulieden is.

§• Zij getuigen hier als eene waarheid, (naar hunne gedachten) allen openbaar en onwedersprekelijk, God was met hen lieden.

1. Dewijl wij hier het woord God in het meervoud vinden Elohim, dat een enkelvoud heeft, Eloah, twijfelen wij niet, of zij verstaan er door den Drieëenigen God, gelijk onzes erachtens 't altijd in de Heilige Schrift genomen wordt; of zoo dit meervoud al van een bijzonder Persoon in de aanbiddelijke Goddelijke Drieëenigheid gebruikt wordt, ziet het doch op drie, en dan zegt het een uit de drie Goddelijke Personen.

Geen Christen zal het ontkennen, dat de Vader, Zoon en Heilige Geest met deze Joodsche mannen geweest is, en dat zij de kracht van dat geloof ondervonden hebben; ja wie twijfelt er aan, of deze Heidensche mannen, in dezen tijd die hier verbeeld wordt, door het onderzoek van Gods Woord, (in de Heidensche of Grieksche tale al lange vertaald) of door eenig onderwijs kennis gehad hebben van, en geloof in dat eerste en gewigtigste stuk der Christelijke leere; immers wanneer die groote Joodsche Man, de Heere Jezus Christus, zoo aanstonds voor zijn veftrek zijne Apostelen voorhoudt, om in de geheele wereld het Euangelium aan alle creaturen en volkeren te verkondigen en te onderwijzen, en daarop hen te doopen in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, volgens Matlh. 28 : 19 en Mare. 16 : 15, is dit zijne meeninge geweest, dat zij dat leerstuk eerst kennen , gelooven en belijden moesten ; trouwens , zoo dit van de Heidenen niet geloofd wierd, zouden zij zich aan den Drieëenigen God door den Doop wel vrijwillig verbonden hebben ? Ik meene neen.

2. Maar nu komt het er op aan , om na te speuren hoe de Drieëenige God met hen lieden was.

Om