is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerrede over Zach. VIII: 23; uitgesproken in de Gereformeerde Kerke te Mydrecht, op den 7den september 1777

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vermaninge en bestraffinge van Christus, ö Gruwel! want die was immers een Jode, zoodat de zaligheid is uit de Joden , Joh. 4 : 22; dan moet gij ook verachten alle de Prophelen des O. T.; ja de Apostelen des N. T., wat waren die anders ?

Zoo gij wel denkt, zult gij voor dat volk, als volk, de grootste achtinge hebben, die met de Edelgeborenen in onze dagen, op hunne Hoog Edele afkomst, met alle en meerder regt kunnen roemen ; zijn zij niet de eerste kinderen Gods , en nog van God geliefd om der vaderen wille ? Rom. 11:28; is uit dat volk niet de Zaligmaker? Wat hebben wij niet zalige voorregten, naast God, aan hen te danken, dat de boeken des O. T. (die van wege de Hebreeuwsche tale, door veranderingen of uitlatingen van een tittel of jota, zoo ligt konden vervalscht en bedorven zijn geworden) zoo ongeschonden zijn ? Hebben wij dat niet aan hunne voorvaderen, die met eene ongelooflijke moeite de letters telden , te danken ? Door wien zijn wij Heidenen het eerste gelokt ? Is het niet door Joodsche mannen ? Hebben niet de Semieten ons Japhetiten gelokt, om te wonen in de tenten Sems ? Waren toen onze geloovige voorvaders niet op het naauwste vereenigd met de Joodsche kerk, ja zelfs met die van Jeruzalem ? Dat wij Heidenen bekeerd zijn , is dat niet op het geloovig en aanhoudend gebed geweest van vader Abraham, die wist dat zijn geestelijk zaad zoude zijn als de sterren aan den hemel, en als het zand der zee ? gelijk ook van de geloovigen des O. T. in volgende tijden, wanneer God die belofte aan Abraham gedaan , nader verklaard heeft ? zoodat in plaatse van hem daarom minder, moet gij hem meerder achten !

Ja gemeente van Mydrecht! gij hebt een bijzonder Leeraar, als geen in ons geheele Nederland, en (in dit opzigt) een wonder Predikant! Elk bekeerd Leeraar is een wonder pronkstuk van genade; maar een waar bekeerde Jood een dubbel wonderlijk teeken , dewijl er geen natie is , zoo doodelijk gebeten op ons als dat volk. Laat ik ulieden eens eene speculatie opdisschen, die wel het gehemelte streelt, maar de maag zoo niet voedt, noch het harte versterkt, als gemeen brood. Ik merk dezen uwen waardigen, eertijds Joodschen, maar nu Christen-Leeraar aan als Lazarus, die arme Joodsche man, die uit de dooden is opgestaan en als uit Abrahams schoot gezonden tot u, om ulieden, die nu zijne broederen door belijdenis geworden zijt, te waarschuwen , opdat gij niet komt in de plaatse der pijniginge. Ja

ik