is toegevoegd aan uw favorieten.

Calvinisme en Spinozisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij behoorde afwijkt, ja, somtijds in verband met de Schrift zijn leer voordraagt, en waar Spinoza in de gepubliceerde dictaten dit voorbeeld van zijn meester getrouwelijk volgt, krijgen wij een merkwaardigen blik in de verhouding, die Spinoza zich gedacht heeft tusschen zijn systeem en de hoofdmomenten der christelijke leer.

Het gaat natuurlijk niet aan in het uiteraard kort bestek van een tijdschriftopstel dit verband in de volle breedte en diepte na te speuren. Daarom mogen wij met enkele, de voornaamste, grepen volstaan.

In het eerste hoofdstuk van het metaphysisch aanhangsel bespreekt Spinoza het zijnde (ens) en zijne affecten, en beschouwt, evenals Descartes de scholastische methode volgend, de vier vormen van het zijn: esse existentiae, essentiae, ideae en potentiae. ') Volgens Descartes zijn de geschapene dingen wezenlijk van God verschillend, en is er dus ook een potentieel zijn. Want wanneer God van de dingen onderscheiden is, volgt dat Hij naar wilsvrijheid handelt. Er zijn dus mogelijkheden. Spinoza releveert dit, doch merkt op, dat men bij de dingen wel moet onderscheiden tusschen zijn en bestaan (essentia en existentia). De essentie der dingen is nog geen existentie, anders zouden de dingen zelve substanties zijn. Een zuil kan essentieel zijn in het denken van den beeldhouwer, zonder daarom existentieel te zijn buiten den kunstenaar. Dit is vroom gezegd en dient schijnbaar om de absoluutheid Gods tegenover het schepsel te handhaven. Doch let op een schijnbaar onbeteekenende wending. Wijl, zoo zegt hij, bij God weten (intellectus) en wezen identisch zijn, is het wezen van alle dingen in God, in wien alle dingen begrepen zijn, en mitsdien stem ik met hen in, die zeggen, dat het wezen der dingen eeuwig is.2) De zaak is

1) Princ. Phil., 97—99.

2) Ibid.: Deum enim non concipimus fuisse potentia in alio, et ejus existentia, ejusque intellectus et ejus essentia non distinguuntur, 98. In qua omnia continentur; adeoque hoe censu iis assentimur, qui dicunt essentias rerum aeternas esse, 99.