is toegevoegd aan uw favorieten.

Calvinisme en Spinozisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnbaar zeef eenvoudig en zeer orthodox. De beide eigenschappen Gods weten en zijn (naar gereformeerde opvatting is immers elke eigenschap het wezen Gods) worden geïdentificeerd. Alle dingen bestaan in de voorkennis Gods, ergo bestaan ze ook in het wezen Gods. Ze zijn God.

Op het oog is het hier dus maar één schrede van het calvinisme naar het spinozisme. God heeft alle dingen van eeuwigheid besloten. In dit besluit wortelt dus het wezen aller dingen. Dit is calvinistisch. De vereenzelviging echter van het weten en het willen Gods, zóó dat al wat in het weten Gods begrepen is in het wezen Gods zelf begrepen is, is spinozistisch. Ook Spinoza kan dus met de Schrift zeggen: „In Hem leven wij, en bewegen ons en zijn wij" (Hand. 17:28)." Ook Spinoza onderschrijft het woord1): „Gode zijn alle zijne werken van eeuwigheid bekend" (Hand. 15:18). Doch achter het woord God schuilt bij hem het naturalistisch Godsbegrip, de eeuwige substantie, waaruit de dingen als modi, met noodwendige zekerheid voortkomen.

Nog sterker komt deze inwendige gelijkenis en uitwendige verwantschap tusschen de beide stelsels aan het licht, waar de schrijver de eigenschappen Gods opzettelijk in het tweede deel bespreekt. Naar scholastischen trant worden alle eigenschappen methodisch één voor één behandeld, en schijnbaar ontbreekt het ook" hier niet aan de rechtzinnigheid. Herhaaldelijk worden Schriftplaatsen ten bewijze geciteerd.

Bij het attribuut der eeuwigheid legt Spinoza er sterken nadruk op, dat eeuwigheid niets anders is dan absolute negatie van den tijd.

De eenheid Gods (unitas) leidt hij af uit het begrip der hoogste intelligentie Gods.

Ook waar hij over de immensitas Gods handelt verschilt hij naar 't uitwendige in niets van de rechtzinnige leer.

Maar ziet, als hij over de immutabilitas spreekt wordt

') Hoewel slechts tot op zekere hoogte, omdat hij later het bewuste weten in God ontkent.