is toegevoegd aan uw favorieten.

Calvinisme en Spinozisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onoverbrugbaar. De calvinist beschouwt alle affecten in God als wezenlijke momenten van zijn wil, en handhaaft bij de transscendentie ook de levende immanentie, ook al verklaart hij deze tweeëenheid niet te begrijpen.1)

Ons kort bestek laat niet toe alle belangwekkende plaatsen aan te wijzen. Het zou anders de moeite loonen dezelfde sporen van gemeenschap na te gaan waar Spinoza handelt van de macht Gods (waar hij het grootste wonder noemt dat God geen wonder zou noodig hebben), van de schepping, van de medewerking (concursus), doch wij willen volstaan met alleen nog de attentie te vestigen op hetgeen de wijsgeer bespreekt bij het intellect en den wil van God.

Descartes leerde, in overeenstemming met het christelijk dogma, dat God alle dingen weet, niet door waarneming, maar door onmiddellijk weten, omdat zijn kennis eenvoudig is. Spinoza stemt dit toe en zegt voorts: Niet slechts het waarnemen, ook het weten van de dingen buiten zich zou onderstellen een zekere afhankelijkheid in God. Waaruit dus volgen moet dat de dingen in God bestaan, en voorzoover zij bestaan voortgebracht zijn door Gods intellect. Ergo de wil en het intellect Gods zijn één en hetzelfde. Wanneer alle kennis Gods derhalve zelfkennis is, kan er nooit sprake zijn van een kennis Gods aangaande de zonde, want anders zou de zonde zijn in God.

Tegen deze logica is schijnbaar niets te zeggen, omdat Spinoza ook hier redeneert op de verborgen basis van zijn Godsbegrip.

Waar hij echter in het volgende hoofdstuk over den wil handelt, komt hij bijna tot een demasquée. Hier schemert zijn naturalistische god door den christehjken sluier het duidelijkst heen. Spinoza verklaart wel eens van het begrip persoonlijkheid bij God te hebben gehoord, maar wat dit

x) Dr. Bavinck, Dogm. II 148.

2) Hine clare sequitur intellectum Dei et ejus voluntatem unum et ioleva esse (Princ. Phil. 121).

*) Cap. VIII, De voluntate Dei.