is toegevoegd aan uw favorieten.

Calvinisme en Spinozisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekent weet hij niet. In verband met de voorrede, waar gezegd is, dat hetgeen niet begrepen kan worden niet bestaat, beduidt deze uitspraak: de persoonlijkheid Gods is slechts een gedachtending (ens fictum). Ik geloof echter, zegt hij bijna ironisch, dat God het eens aan de vromen in de komende zaligheid openbaren zal.

Yan een toornen of liefhebben kan natuurlijk bij een onpersoonlijk God geen sprake zijn. „Wanneer men zegt, dat God vele dingen haat en andere dingen liefheeft, zoo wordt dit in denzelfden zin bedoeld, waarin de bijbel zegt, dat de aarde de menschen uitspuwt en dergelijke dingen. Dat God op niemand vertoornd is, en de dingen niet zóó liefheeft als de menschen dit meenen, kan genoegzaam uit de Schrift blijken; want Jesaja, en nog duidelijker Paulus zegt in Rom. 9: „Hoewel zij (de zonen van Israël) nog niet geboren waren en noch goeds, noch kwaads gedaan hadden» is hun toch, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den roepende, gezegd geworden, dat de oudere den jongere zou dienen." En dan releveert hij vervolgens de geheele bekende pericoop, waarin Paulus over de vrijmacht Gods handelt, die illustreerend met het beeld van den pottenbakker. Schijnbaar is Spinoza's betoog onafwendbaar logisch, is het een noodzakeüjke consequentie van de eigen leer der Schrift. Want als Jakob en Ezau door God zijn bemind en gehaat vóór zij geboren werden, hebben zij zelf die affecten Gods niet kunnen opwekken. Ergo zijn zij producten van Gods affecten, gelijk het vat product is van den pottenbakker. „En wanneer men dan vraagt, waarom de goddeloozen gestraft worden, daar zij toch naar hun natuur en naar het raadsbesluit Gods handelen, zoo antwoord ik, dat ook hun straf uit het raadsbesluit volgt. Wanneer alléén diegenen, van wie wij ons inbeelden, dat zij uit vrijheid zondigen, zouden gestraft worden, dan zou de mensch er zich tegen moeten verzetten, dat de giftige slangen verdelgd worden, daar deze toch ook zondigen naar hun natuur en niet anders kunnen". x)

*) Princ. Phil. 124.