is toegevoegd aan uw favorieten.

Calvinisme en Spinozisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ds. Tuinman gezegd, dat hij de spinozisten uitmaakte voor: Pestige beesten, kinkels, varkens, duivels, honden, wolven enz. ') Aan smaad en verguizing dus geen gebrek. Maar ervaring leert, dat ook op het terrein der wijsbegeerte het martelaarschap vruchtbaar maakt. In het verborgen eerst, straks in het openbaar, is het spinozisme voortgeplant van oor tot oor, en voortgeteeld van hart tot hart. In twee, bijna geheel tegenovergestelde, richtingen heeft het zich ontwikkeld. Eenerzijds de rationalistisch-atheïstische, en anderzijds de mystiek-geloovige richting. De rationalistischatheïstische richting ontsproot rechtstreeks uit den kring, dien men gewoonlijk Spinoza's kring noemt. Het was een klein groepje vrijdenkers, dat in Amsterdam, Ouderkeik, en later in Rijnsburg en den Haag ten huize van Spinoza vergaderde. Tot hen behoorden o. a. de medici Lod. Meijer, Joh. Bresser en Schuller, en voorts Albert Burgh, Jarig Jelles en Peter Balling, de laatsten Mennonisten2). Al spoedig werd de richting van deze „vrienden" duidelijk anti-christelijk en lijnrecht vijandig tegenover de gereformeerde leer. Tot kenschetsing van de verhouding van dit genre spinozisten tegenover den christelijken godsdienst noemen wij den door Meinsma „ontdekten" vrijdenker Adr. Koerbagh. Deze vergelijkt in een geschrift (Een ligt schijnende in duystere plaatsen) Spinoza's god met Jehova, den wezenlijk zijnde. Vervolgens haalt hij eenige schriftuurplaatsen aan, waarop de pantheïsten zich bij voorkeur beroepen, en noemt dan de voornaamste eigenschappen Gods uitgebreidheid en denking, verklaart de wereld als gelijkbestaande met God; ontkent, alzoo er maar één natuur is, het wonder en noemt den hemel eene fictie.3) Vrijzinniger kan het moeilijk. Ver-

ling der Kerke; genaamt, Een Herder en eene Kudde. Beijde, in oprechte Liefde der Waarheidt, opgesteld door Christianus Democritus. Utrecht,

1709. — Zie bl. 59. on

1) Aangehaald door A. W. Wijbrands, Archief voor Ned. Kerkgesch. I. 8J.

2) Vergel. K. O. Meinsma, Spinoza en zijn kring, 's Gravenhage, 1896, bl. 146, 215, 266, 404, 416, 418.

s) Meinsma. t. a. p. 276—78.