is toegevoegd aan uw favorieten.

Herdenkingrede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is in het begin iets van Pinksterstemming geweest; daar was iets van de liefde, die gaarne offers brengt voor Hem, die het eenige Offer bracht. Daar was niet slechts het doen, maar het gaarne doen. Daar was niet slechts het dragen van een kruis, daar was een vroolijk dragen van het kruis. De menschen voelden de sfeer en de kracht van het Koninkrijk Gods.

En nu vraag ik: Is dat nog zoo? Hoezeer wij ons thans mogen verblijden om wat wij hebben, dit ééne is niet meer zoo als toen. Wij zijn niet ontkomen aan de wet der inzinking, die op dit gebied de wet der zonde is. Wij zijn meer met de tijden veranderd, dan wij verantwoorden kunnen tegenover den Onveranderlijke, den Eeuwige.

Prof. Visscher spreekt in een rede voor den Gereformeerden Bond van Stichtingen over het gevaar, dat onze Vereenigingen het karakter van ondernemingen gaan aannemen, waar maatschappelijke verhoudingen als tusschen werkgever en werknemer bestaan en de Christelijke verpleging als een handelswaar verkocht wordt. Dit gevaar is niet meer denkbeeldig, door de wettelijke bemoeiingen van den kant der overheid, door de actie der vakbeweging. Ook wij, als besturen, hebben, mee door een tekort aan begrijpen, die actie veroorzaakt. Ik zeg, door die actie is de sfeer ongunstiger geworden voor het bloeien van het geestelijk leven. Maar al zouden wij onschuldig wezen aan de veranderingen der omstandigheden, nooit is te verontschuldigen het verlaten van de eerste liefde, van het eerste vuur der oude vroomheid. De geschiedenis van het Christendom heeft geleerd, dat het leven in iedere uitwendige verhouding bloeien kan, als de innerlijke constitutie van den Christen maar gezond en goed is.

Daarom maakt zelfcritiek ons niet moedeloos, mijne vrienden. Wij gelooven in de kracht van Hem, Die gekomen is niet alleen om zwakke menschen, maar ook om zwakke organisaties, die iets van hun geestelijke gezondheid verloren hebben, sterk te maken, Die ook de jeugd van een Vereeniging, die 50 jaar oud is, vernieuwt als eens arends.

De tijdsomstandigheden zijn donker, de prognose van de toekomst is niet bemoedigend. Daar is geen gebied waar het Christendom niet teruggedrongen wordt, maar dit belet ons niet om te danken voor wat is en te hopen op wat worden zal.

Onze Vereeniging heeft een toekomst, omdat ze een verleden heeft. Het inzicht van de geloofsmannen, die het werk begonnen hebben, is juist gebleken. De Christelijke religie heeft een belofte, speciaal voor de verpleging van krankzinnigen. De geesteszieken zijn bereikbaar gebleken voor het Evangelie. God heeft onze Vereeniging, allen twijfelmoedigen voorspellingen ten trots, gezegend. Wie wel eens een kerkdienst op een van onze stichtingen bijgewoond heeft, weet dat zeker. Het kan gebeuren, dat ge aarzelt, of niet soms de aandacht voor en het beslag door het Woord Gods bij deze ontredderden grooter is dan bij de verstandigen. Hier ligt het aanknoopingspunt voor ons, om, met de hoop op bestendiging en herleving, de toekomst in te gaan. Gods beloften zijn