is toegevoegd aan uw favorieten.

De tegenwoordige stand van het Christusprobleem. De uitgangspunten eener christologie op den grondslag der kritische theologie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Troeltsch dat doen, wanneer zij het supranaturalisme laten gelden of Otto en Heiler en Scholz, wanneer zij begrippen als „akosmistische ervaring" of parallellen daarvan in hun theologie invoeren. De beginselen der „kritische theologie", die ik hier natuurlijk niet even en passant kan beschrijven, liggen elders. Ik zie ook best in, dat velen van hen, die in de tevoren door mij geschetste Christologische gedachtengang zich wel kunnen verplaatsen, voor dezen tweeden opzet geen sympathie gevoelen. Welnu, voor hen is hier dan geen „uitgangspunt" gegeven voor een Christologie, die waarde kan hebben. Voor mij is dat wel het geval. Ik erken de volle, principiëele beteekenis van de meer personalistisch gekleurde Christologie, die in de verhouding van zonde en genade haren grond vindt; hier kunnen altijd opnieuw Ritschl en Herrmann en een deel der ethischen ons helpen. Maar wij mogen, meen ik, de vragen naar den zin van geschiedenis en kosmos ook in verband met wat Christus voor ons is, niet verwaarloozen. Dat zou een prijsgeven zijn van belangrijke elementen uit de geschiedenis van het Christendom, elementen, die reeds in Johannes en Paulus onmiskenbaar aan het licht treden en zonder welke noch de Katholieke cultus, noch de Christelijke mystiek, noch Christelijke theosophie en speculatie denkbaar zijn. Sommigen onder de oudere ethischen, vooral De la Saussaye sen., Hegel en Schelling, ook wel vaak Schleiermacher (wiens metaphysisch-idealistischen achtergrond men toch niet vergete) hebben voor deze kanten der Christologische overdenking volle aandacht gehad. Het is daarom ook, dat ik voor eigen besef al te onvolledig zou zijn gebleven, wanneer ik over dezen Kosmischen Christus niet had gesproken.

* *

*

6. Wat nu nog rest, kan in snel tempo worden doorgenomen. Ik wil een derde „uitgangspunt" niet geheel onvermeld laten, al meen ik hier zeer kort te mogen zijn. Ik denk aan Otto en zijn kring. Afgezien van Otto's terminologie (het gebruik van het begrip „irrationeel") en van het „waarheidsbewijs", dat hij in zijn theorie omtrent het religieus apriori ontvouwt, zal zeker vrij algemeen worden toegegeven, dat zijn studiën, in de twee bandjes van „das Heilige" vervat, wel mee tot het allerbelangrijkste behooren, in langen tijd op het gebied van godsdienstpsychologie en -wijsbegeerte gepubliceerd. Steunende op zijn arbeid, heeft men alle recht nog weer van een andere, haast zou ik zeggen: een nog meer directe, benadering van den Christus te spreken. Ik moet zijn werk hier bekend veronderstellen en herinner er dan slechts aan, dat voor hem dit eigenlijk de eene fundamenteele ervaring is, die aan alle religie ten grondslag ligt: