is toegevoegd aan uw favorieten.

De tegenwoordige stand van het Christusprobleem. De uitgangspunten eener christologie op den grondslag der kritische theologie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ontmoeting met het „numineuze", met het „mysterium tremendum" of „fascinosum", met het ondoorgrondelijke, dat nochthans in al zijn macht en majesteit als eenig laatste werkelijkheid onze ziel overweldigt. Die Majesteit Gods behoeft geen „bewijs onzerzijds; zij is eenvoudig gegeven als eene realiteit, die zich aan ons opdringt, die ons stil maakt, ons onze „creatuurlij kheid doet beseffen en ons doet huiveren. Zij kan in velerlei elementen van ons aardsch ervaringsleven op ons toetreden, in innerlijke levenstegenstellingen, in de natuur — men denke aan Job —, ook in de geschiedenis. Zoo is de kern der religie te omschrijven als „die Divination des Heiligen in der Erscheinung . Ook in Christus kan het goddelijke ons aangrijpen, we zouden bijna willen zeggen: ongereflecteerd, zoo maar als iets, dat ons tot zwijgen brengt en ons het besef geeft van „het andere", dat meer is dan wij. Volstrekt niet uitsluitend in de gevoelens van verlossing en vergeving, die wij bij zijn aanraking meenen te ervaren, neen, in heel het goddelijk-verhevene, het mysterieuse, het „daemonische", dat om en in Hem is. Het lijkt mij niet twijfelachtig, dat ook in vrijzinnigen kring velen op deze wijze den Christus voor het eerst leeren kennen, Hem ontmoeten, terwijl voor anderen deze weg gesloten blijft; zij kunnen de evangeliën lezen en herlezen, en deze „mooi" en verheffend vinden, zij kunnen Christus in de openbaringen van schilderkunst en muziek tegenkomen en Hem daar „bewonderen , zij kunnen eerbied hebben voor menschen, in wie zij iets van de liefde van Christus speuren, zij zullen nooit „het heilige", in den zin, dien Otto hier bedoelt, in dezen Christus erkennen. Otto en naast hem vooral ook Mundle x) hebben uitvoerig beschreven, op welken grond zij er in de eerste plaats van overtuigd zijn, dat voor de leerlingen en voor de eerste Christenen Jezus tot den Messias is geworden, dus tot, wat wij zouden aanduiden met de woorden: een goddelijke, bovenhistorische, transcendente macht, doordat zij intuïtief in hem het „Numineuze" erkenden. En zij meenen verder, dat door de heele geschiedenis heen en ook voor onzen eigen tijd hetzelfde geldt: het Christendom leeft niet van de prediking, van het woord en voorbeeld van Jezus, maar van de divinatie van het „Heilige" in den Nieuw Testamentischen Christus. Dit „Christusgeloof" moge neerslag gevonden hebben in soms zeer wonderlijke, wijsgeerig ineen gezette dogmata, die voor ons alle beteekenis hebben verloren, het doet aan het feit niet af, dat dit geloof toch steeds de dragende, stuwende kracht in de geschiedenis van het Christendom is geweest en nog is.

*) Zie b.v. W. Mundle, „Der Christus des Glaubens und der historische Jesus", Z. f. Th. u. K. 1921.