is toegevoegd aan uw favorieten.

Heb uw naaste lief als uzelf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl hij daar zoo naar de dierentent stond te kijken, had een tweede toeschouwer dicht bij hem plaats genomen, 't Was een jongen, ongeveer van Kareis leeftijd, maar wat kleiner. Hij heette Piet Verbrugge, en was de zoon van een schoenlapper. Dat hij veeleer arm dan rijk was kon men aan zijn gescheurde broek, waar de knieën doorkeken, duidelijk zien. Bij Karei ten minste stak hij nogal af.

„Zoo Piet," zei Karei, zoodra hij zijn schoolmakker bemerkte, „dat ziet er hier mooi uit, vind je niet?"

„Dat geloot ik," antwoordde Piet, „wat zal het aardig wezen al die beesten te zien. En dan gaan ze nog kunsten maken ook; dat zal eerst grappig zijn."

„Ja, maar," was 't antwoord, „mijn vader heeft mij verteld, dat van al die kunsten meer dan de helft niet gebeuren kan. Geloof jij dan dat een beest spreken en zingen kan leeren, zooals een mensch?"

„Zeker, een papegaai en een spreeuw ook wel."

„He', ja, dat 'swaar ook; dan heeft vader't misschien toch mis. Maar, o Piet, ik ben zoo blij. Ik blijf vandaag thuis en dan krijg ik een gulden, dien ik mag uitgeven om het beestenspel te zien."

„Ik wou dat ik met je meê kon gaan," antwoordde Piet.

„Welnu, doe dat; ik zou 't wat graag willen."

„Ik kan niet," zei Piet Verbrugge, terwijl zijn gezicht betrok, en het huilen hem nader was dan 't lachen.

„Waarom niet?"

„Och, omdat wij geen geld hebben," antwoordde Piet, wien van spijt haast de tranen in de oogen kwamen, „mijn vader kan 't niet betalen."