is toegevoegd aan uw favorieten.

Heb uw naaste lief als uzelf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Niet, vriendlief, waarom nietr

„Och, meester, dat wou ik liever niet zeggen," zei Karei, terwijl hij een kleur kreeg als bloed.

De meester vroeg er niet verder naar. Maar 's avonds, toen Karei te bed en te slapen lag, trok de onderwijzer zijn laarzen aan, zette zijn hoed op, en stapte naar de woning van den bakker Woutersz.

„Baas," sprak hij binnentredende, „ik moet u eens even spreken. Weet u ook hoe het komt, dat Karei niet naar het beestenspel gegaan is?"

„Dat bevreemdt u zeker, nietwaar, meester," antwoordde de bakker lachend; „ga zitten, en ik zal 't u vertellen."

En nu verhaalde hij wat wij reeds weten; hoe Karei zijn eigen genoegen had opgeofferd om een ander een

dienst te doen.

„Nu, dat vind ik mooi gehandeld," zei de meester, toen hij alles had aangehoord, „ik zou haast in staat zijn een anderen gulden te geven."

„Dat zou toch niet goed zijn, geloof ik," hernam baas Woutersz ernstig. „Als Karei wat goeds doen wil, dan moet hij dat doen, niet omdat u of ik het hem zeg, maar omdat God in Zijn woord ons leert, dat wij Hem moeten liefhebben boven al, en onze naasten als ons zelf. Als Karei dat doet, zal hij vanzelf zien dat het goed is, zooals hij nu heeft gedaan. Maar als ik hem voor goede daden ging beloonen zou hij allicht goed oppassen en anderen helpen om er wat voor te krijgen, en dat deugt niet, dunkt mij."

„Ik geloof, baas Woutersz, dat u niet zoo geheel ongelijk hebt," antwoordde de meester nadenkend, „maar u wilt toch zeker wel, dat ik uw zoontje een pleizier doe?"