is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vaste fondament Gods en zijn zegel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

booze voorkomt, en het getuigenis voor de waarheid daardoor verzwakt wordt, hoewel de waarheid zelf onaangetast blijft. Wij behoeven geen grens te trekken, maar alleen de grens, die God getrokken heeft, te ei kennen , als wij de ernstige vermaning gehoor geven: „Een ieder, die den naam des Heeren noemt, sta af

van ongerechtigheid."

Het beroep op Judas is niets minder dan een onteering van den Heer, om niet meer te zeggen, indien men daarmede wil te kennen geven, dat Hij Judas als verrader aan zijne tafel zou toegelaten hebben. Dan zou de Heer tegen zijne eigen woorden het booze gebillijkt hebben, een gedachte, die zeker ieder christelijk gevoel diep kwetsen moet. Zelfs als Judas aan de tafel des Heeren deelgenomen had, zou hij niet als verrader tegenwoordig geweest zijn, wijl hij nog niet als de zoodanige openbaar was geworden. Hoezeer het den Heer, die alles vooraf wist, bekend was, wat hij besloten had te doen , zoo had hij evenwel de daad nog niet verricht. De discipelen wisten niet eenmaal, „wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zou." (Luk. 22 : 23.)

Duidelijk is het, dat van uitoefening der tucht eerst dan sprake kan zijn, wanneer het booze als een bewezen daadzaak geopenbaard is. Niet alleen onder de wet, maar ook onder de christelijke tucht moet elke zaak door twee of drie getuigen bevestigd worden. (2 Kor. 13 : 1.) Intusschen is het volgens het Evangelie van Johannes duidelijk, dat Judas met aan de tafel des Heeren tegenwoordig geweest is, maar dadelijk na het avondeten, 't welk de instelling van