is toegevoegd aan uw favorieten.

Den Heere bevolen! Hand. 20

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die tusschen God en eigene ziel vanwege de zonden is ontstaan; het is een verlangen naar Gods gemeenschap, een billijken van zijn recht, ja een aanbidden van zijne werken. En het is zulk een rechtvaardige, dien het moet gepredikt, dat het hem wel zal gaan. „Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden!" Met andere woorden, aan Gods volk in iwelken stand het ook zijn moge, hetzij het meer of minder in de ruimte staat; aan de gemeente, door Christus bloed gekocht, moet het geprofeteerd, dat alle dingen voor hen zullen medewerken ten goede, het zal hun wel gaan! Hier reeds in den "tijd! Zij klagen wel eens: „de Heere heeft ons verlaten, de Heere heeft onzer vergeten" maar de prediker heeft het hun toe te roepen „zou ook eene moeder hare zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon hares buiks, ofschoon deze vergate, de Heere zal u niet vergeten, Hij heeft u in zijn handpalmen gegraveerd, en zijne muren zijn steeds voor hem!" Zij denken wel eens, dat hun weg voor den Heere verborgen is, en hun recht voor hun God voorbijgaat, maar de Evangeliedienaar heeft aan te dringen met het getuigenis Gods om te vragen: „Weet gij het dan niet, dat de Heere, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt. Hij geeft den moede kracht en vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft!" Het zal hun wel gaan! Niet het minst hiernamaals. Dan geen strijd en verdrukking, maar het witte kleed met de overwinningskroon en palm. Dan de tranen gedroogd, door den Heere zelf weggewischt. Het